Een patiënt met acute lage rugpijn die weinig hoopvol is over z’n herstel heeft twee maal zoveel kans dat zijn klachten chronische worden, dan een patiënt die zulke negatieve verwachtingen niet heeft. Dit is een van de bevindingen van Hank Hallegraeff, die onderzoeker, fysiotherapeutisch behandelaar en docent is bij de ‘Stichting Opleiding Musculoskeletale Therapie’ (SOMT) in Amersfoort.
Spanningsveld
Hallegraeff constateert een spanningsveld tussen enerzijds de hulpvraag van de patiënt bij acute lage rugpijn, en anderzijds de richtlijn die een afwachtend beleid adviseert. Hij onderzocht verwachtingen over herstel en de pijnbeleving van patiënten omdat dit belangrijke factoren zijn om te kunnen inschatten welke patiënten meer kans hebben dat de lage rugpijn chronisch wordt. De pijnbeleving geeft richting aan de manier waarop de patiënt met klachten omgaat (copingstijl). Een passieve of inadequate copingstijl is een risicofactor voor het ontstaan van chronische lage rugpijn. Hallegraeff stelde vast dat de IPQ-B vragenlijst een betrouwbaar instrument is om de pijnbeleving te meten bij patiënten met acute lage rugpijn.
Ook voerde Hallegraeff een studie uit om behandeleffecten van lage rugpijn te vergelijken. Hij vergeleek het effect van manuele therapie in het acute stadium (minder dan 16 dagen last en met weinig uitstraling) met de standaard fysiotherapeutische zorg volgens de richtlijn. Manuele therapie geeft een sterkere afname in beperking van activiteiten dan fysiotherapeutische behandeling.
Curriculum Vitae
Hank Hallegraeff (Haarlem, 1955) is opgeleid tot fysiotherapeut, manueel therapeut en klinisch epidemioloog. Hij verrichtte zijn onderzoek bij het Lectoraat Transparante Zorgverlening Hanzehogeschool Groningen in samenwerking met Onderzoeksinstituut SHARE van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Hij is werkzaam als onderzoeker, behandelaar en is tevens docent bij ‘Stichting Opleiding Musculoskeletale Therapie’ (SOMT) in Amersfoort. De titel van zijn proefschrift is “Common musculoskeletal disorders in primary care physiotherapy: assessment an intervention.”
Link naar het proefschrift (PDF)
Bron: UMCG
View full post on FysioForum
Recent onderzoek van promovendus Bart Pennings toont aan dat met een dieet waarin snel verteerbare eiwitten worden geconsumeerd, de opbouw van spierweefsel beter wordt gestimuleerd. Bovendien wordt meer van het geconsumeerde eiwit omgezet in spierweefsel wanneer er vóór de maaltijd sprake is van fysieke inspanning. Dit betekent dat het essentieel is dat oudere mensen blijven bewegen. Een actieve levensstijl, aangevuld met een gestructureerd beweegprogramma voor ouderen is een voorwaarde voor gezond ouder worden.
Spieropbouw en -afbraak zijn continue processen die 24 uur per dag, zonder dat iemand het merkt, doorgaan. Dat gebeurt in een dusdanig tempo dat na drie maanden al het spierweefsel is vervangen door nieuw weefsel. De eiwitten uit onze voeding leveren de bouwstenen voor onze spieren. Deze bouwstenen noemen we de aminozuren. Ouderdom gaat gepaard met een proces van spierverlies, sarcopenie genaamd. Een belangrijke factor hierin is een verminderde opbouw van spierweefsel in oudere personen na de maaltijd. Pennings en collega’s toonden met behulp van voedingsinterventies aan dat die spieropbouw kan worden verbeterd. De methode waarmee zij dit aantoonden, was wel heel bijzonder.
Eiwit volgen
Het is namelijk mogelijk om een eiwit precies te volgen door het een ‘label’ mee te geven. Simpel gezegd is een eiwit niets anders dan een aaneenschakeling van velen aminozuren. Door een soort vlaggetje te koppelen aan één bepaald aminozuur, kan dat eiwit overal terug worden gevonden. Zoals een vuurtoren die oplicht in de duisternis. Dit gelabelde aminozuur werd via een infuus ingebracht in een koe en ingebouwd in de vorm van melkeiwit. De melk van die koe werd vervolgens toegediend aan ruim 120 gezonde, oudere, vrijwilligers.
Snel versus langzaam
Melk bevat van nature veel eiwitten, zoals caseïne en wei-eiwit. Die laatste valt in de categorie snel verteerbare eiwitten en kan dus snel worden opgenomen door het lichaam, in tegenstelling tot langzaam verteerbare eiwitten, zoals caseïne. Uiteindelijk werd het gelabelde eiwit teruggevonden in het spierweefsel van de proefpersonen. Wat bleek nu? Wanneer een snel verteerbaar eiwit in plaats van een langzaam verteerbaar eiwit werd geconsumeerd, werd er meer van het eiwit teruggevonden in het spierweefsel.
Een koe voor de wetenschap
Een andere rijke bron van eiwit die werd onderzocht, is vlees. Daarbij is gebleken dat de eiwitopname bij het eten van gemalen vlees hoger is dan wanneer vlees intact wordt gegeten. Dat wil zeggen dat een tartaartje beter is voor de eiwitopname dan een biefstuk. Met het gegeven dat voor een goede spieropbouw minimaal 30 gram eiwit per maaltijd verkregen moet worden, is een gebalanceerd dieet essentieel. Wanneer ouderen bijvoorbeeld iedere dag een zuiveldrank met snel verteerbare eiwitten zouden drinken, en gemalen vlees boven intact vlees zouden verkiezen, zou de opbouw van spiermassa kunnen toenemen en het proces van sarcopenie vertraagd kunnen worden.
Maar alleen zuivel en vlees eten is niet genoeg. Om optimaal spiermassa te kweken is de factor fysieke inspanning essentieel. Met name bewegen vóór de maaltijd leidt ertoe dat meer van het geconsumeerde eiwit wordt omgezet in spierweefsel. Oudere mensen zouden derhalve gestimuleerd moeten worden om te bewegen vóór de maaltijd, en ouderen in verpleeg- of verzorgingstehuizen zouden actief betrokken moeten worden bij bijvoorbeeld het doen van boodschappen, het bereiden van de maaltijd, het dekken van de tafel en andere fysieke taken die vooraf kunnen gaan aan maaltijdconsumptie.
Bart Pennings won in 2010 met een presentatie van zijn onderzoek een Young Investigator Award (3000 euro) op het jaarlijkse congres van het European College of Sport Sciences (ECSS). Het werken met gelabelde melkeiwitten was voor de jury een belangrijke reden voor het toekennen van de prijs.
Bron: Maastricht UMC+
View full post on FysioForum
Staatssecretaris Martin van Rijn (VWS) start een televisiecampagne tegen ouderenmishandeling. Ook presenteert hij een nieuwe voorlichtingsfilm over dit onderwerp tijdens het congres ‘Aanpak Ouderenmishandeling’ van de gemeente Den Haag. Professionals en vrijwilligers die met ouderen werken kunnen met de film leren hoe ze mishandeling beter kunnen herkennen en in actie kunnen komen. De nieuwe televisiecampagne en de voorlichtings-DVD zijn allebei onderdeel van het actieplan ‘Ouderen in veilige handen’ van de staatssecretaris.
Van Rijn: ‘Ouderenmishandeling is onacceptabel. Slachtoffers zijn vaak bang om er over te praten of het te melden omdat ze meestal ook afhankelijk zijn van de daders. Die taboesfeer moeten we doorbreken. Daar wil ik met deze televisiecampagne en andere voorlichtingsactiviteiten, ook samen met de ouderenbonden, aan bijdragen. Het moet breed bekend worden wat oudermishandeling is, hoe je het kunt herkennen en hoe je actie kunt ondernemen om het te stoppen. We moeten er samen voor zorgen dat onze ouderen zich veilig voelen en veilig zijn.’
Televisiecampagne
Het is voor het eerst dat binnen een publiekscampagne over geweld in huiselijke kring, een tv-spot over ouderenmishandeling is gemaakt. Eerder zijn als onderdeel van de rijksoverheidscampagne ‘Een veilig thuis, daar maak je je toch sterk voor?’ spotjes over kindermishandeling en partnergeweld uitgezonden.
Voorlichtings-DVD ‘Je ziet het pas als je het gelooft’
De DVD laat 5 situaties van ouderenmishandeling zien en is bedoeld voor professionals en vrijwilligers die met ouderen werken. Op initiatief van het Landelijke Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO) en met financiële ondersteuning van het ministerie van VWS en een aantal andere organisaties, is deze DVD gemaakt.
Congres Aanpak Ouderenmishandeling
Het congres Aanpak Ouderenmishandeling wordt georganiseerd de gemeente Den Haag, op donderdag 13 juni 2013. Dit congres is bedoeld voor beleidsmakers, managers en professionals die in hun dagelijks werk in aanraking komen met ouderen.
Bron: MinVWS
View full post on FysioForum
Het tillen van patiënten levert verpleegkundigen en verzorgenden dikwijls rugklachten op. Promovenda Elin Koppelaar pleit voor een optimaal gebruik van tilliften.
Ongemakkelijk
In geen enkele beroepsgroep komen zoveel lagerugklachten voor als in de gezondheidszorg. Verpleegkundigen en verzorgenden moeten patiënten bijvoorbeeld tillen en ondersteunen tijdens het verplaatsen. Ook staan zij vaak in een ongemakkelijk houding tijdens het verzorgen van de patiënt.
Handmatig
“Als zorgverleners helemaal niet meer handmatig hoefden te tillen, zouden rugklachten in theorie met meer dan tien procent afnemen”, stelt Elin Koppelaar, die in maart promoveerde. “Maar met het huidige gebruik van hulpmiddelen is een daling van iets meer dan een procent realistischer.”
Nieuwbouw
Om medewerkers te motiveren om tilliften te gebruiken, moeten er volgens Koppelaar onder meer voldoende exemplaren aanwezig zijn op de afdeling. Het Erasmus MC heeft in 2011 opdracht gegeven tot het ontwerpen, leveren en inbouwen van 482 tilliften voor de nieuwbouw. Deze liften komen in alle beddenkamers en IC-boxen, maar bijvoorbeeld ook in radiotherapiebunkers en traumakamers.
Bron: ErasmusMC
View full post on FysioForum
ParksinonNet heeft in samenwerking met Vektis en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) een rapport samengesteld over de cijfers van ParkinsonNet. Het betreft een analyse van de kwaliteit van zorg binnen het landelijke ParkinsonNet in de jaren 2010 en 2011, op basis van een analyse van de Vektis -database. In de eerste plaats vormt de huidige analyse een bevestiging van eerdere rapporten dat ParkinsonNet leidt tot een betere kwaliteit van zorg. In de tweede plaats laat de analyse in dit rapport zien dat nog altijd sprake is van veel variatie in de geleverde zorg.
Conclusie
De volgende kwaliteitsindicatoren parkinson werden in kaart gebracht: aantallen patiënten, paramedische zorg (met daarbij speciale aandacht voor de fysio- en oefentherapie), geneesmiddelen, complexe behandelingen, fracturen, ziekenhuisopnames, revalidatie, gebruik van verpleging en verzorging en zorgkosten.
In de eerste plaats vormt de huidige analyse een bevestiging van eerdere rapporten dat ParkinsonNet leidt tot een betere kwaliteit van zorg. Aspecten van deze betere kwaliteit betreffen onder andere het aanzienlijk hogere volume aan patiënten per deelnemende behandelaar (bijna 10 voor een ParkinsonNet fysiotherapeut, tegen slechts 1,6 voor een algemeen werkzame therapeut) en het hoge percentage van patiënten dat onder behandeling is bij een eerstelijns ParkinsonNet behandelaar. Verder zien we in actieve ParkinsonNet-regio’s minder fracturen en gelijk aantal heupfracturen dan in minder actieve ParkinsonNet-regio’s.
In de tweede plaats laat de analyse in dit rapport zien dat nog altijd sprake is van veel variatie in de geleverde zorg. Dit gold zowel voor de eerste lijn (bijvoorbeeld het percentage behandelde patiënten per netwerk) als voor de tweede lijn (bijvoorbeeld het percentage patiënten met dure, geavanceerde behandelingen). Een dergelijke variatie van zorg is ongewenst, en laat zien dat er nog veel ruimte is voor verdere verbetering van de landelijke parkinsonzorg.
In de derde plaats toont dit rapport de grote meerwaarde van analyses van de Vektis database. De geleverde data geven zeer waardevolle bedrijfsinformatie over de daadwerkelijk geleverde kwaliteit van zorg op populatie niveau, en vormen als zodanig een uitstekend feedback middel om de kwaliteit van zorg verder te verbeteren.
Toekomst
Een centrale doelstelling voor ParkinsonNet in de nabije toekomst is om de gemiddelde kwaliteit van zorg in de deelnemende netwerken verder te verbeteren, en om de variatie in de geleverde zorg te reduceren (met name door de onderkant van de kwaliteitscurve aan te pakken). Om dit te bereiken is het van essentieel belang om te streven naar volledige transparantie over de geleverde kwaliteit van zorg en het terugkoppelen van informatie daarover, aan zowel de zorgaanbieders (als benchmark), aan de patiënten (als methode om gericht te kiezen voor kwaliteit), aan de zorgverzekeraars (voor inkoop van de beste zorg) en voor ParkinsonNet (als feedback om de kwaliteit van zorg verder te verbeteren).
Lees hier het volledige rapport (pdf)
Bron: ParkinsonNet
View full post on FysioForum
Voldoende bewegen helpt patiënten met artrose aan heup of knie beter te functioneren zonder dat dit extra pijn hoeft te doen. Het gratis internetprogramma ArtroseInBeweging.nl dat speciaal hiervoor is ontwikkeld, is in verschillende fasen getest bij de doelgroep en aangepast. Onderzoekers van het NIVEL publiceren de onderzoeksopzet en de eerste resultaten in BMC Medical Informatics and Decision Making.
Omdat mensen met artrose veel pijn hebben, gaan ze op den duur steeds minder doen. Maar door die inactiviteit worden de pijn en beperkingen alleen maar erger. Terwijl uit eerder onderzoek bekend is dat voldoende bewegen de pijnklachten niet verergert, maar wel de beperkingen vermindert. En dat door voldoende bewegen zelfs operaties kunnen worden uitgesteld. Het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) ontwikkelde daarom een internetprogramma voor mensen met artrose aan knie of heup dat ze helpt in hun eigen tempo meer te gaan bewegen.
Motiveren
NIVEL-onderzoeker Daniël Bossen: “Er wordt vaak verondersteld dat bewegen de pijn verergert. Echter, deelnemers aan Artrose in Beweging (Join2move) ervaren en leren dat pijn niet gekoppeld is aan meer bewegen. Dit inzicht motiveert mensen om meer te gaan bewegen.” Het internetprogramma is in verschillende fasen getest, aangepast en opnieuw getest bij mensen met artrose. Het ontwikkelproces kan hierdoor ook als voorbeeld dienen voor andere ontwikkeltrajecten. Het programma is bovendien volledig geautomatiseerd, waardoor het een groot publiek kan bereiken met een minimale last voor de schaarse zorg. Door de toename van overgewicht en de vergrijzing zullen er in de toekomst steeds meer mensen met artrose komen die een beroep gaan doen op zorg.
Pilotstudie
In het artikel rapporteren de onderzoekers over een pilotstudie onder twintig patiënten met artrose aan knie of heup die via het internetprogramma Artrose in Beweging meer gingen bewegen. Na een periode van twaalf weken was de pijn gelijk gebleven, maar zijn ze wel veel meer gaan bewegen. Daarnaast hebben de onderzoekers twee gebruikerstesten afgenomen. Daarin voeren mensen hardop bepaalde taken uit, en kunnen de onderzoekers precies zien waar het misgaat, wat er onduidelijk is of beter kan. Met deze informatie is Artrose in Beweging weer aangepast. Binnenkort worden de resultaten verwacht van een groter onderzoek met meer patiënten.
Bron: Nivel
View full post on FysioForum
De economische crisis dringt door tot de spreekkamer van de huisarts. 94 procent van de huisartsen heeft te maken met patiënten die zeggen geen geld te hebben om het doktersadvies op te volgen. Hierdoor halen zij hun medicijnen niet op of gaan zij niet naar een fysiotherapeut of psycholoog. Dit blijkt uit een onderzoek naar het fenomeen zorgmijden van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) in samenwerking met de NOS. Aan het onderzoek deden meer dan duizend van de 8500 huisartsen mee.
Zorg mijden om financiële redenen
“Het onderzoek laat zien dat op dit moment veel patiënten om financiële redenen zorg mijden. Volgens 63% van de huisartsen gebeurt dit meerdere keren per week of zelfs dagelijks (24%). Een zorgelijke ontwikkeling omdat dit schadelijk is voor de gezondheid van patiënten. Bovendien zorgt dit voor extra maatschappelijke kosten. Een veel genoemd voorbeeld is het niet afhalen van maagzuurremmers. Dit kan leiden tot maagbloedingen (en een dus vermijdbare operatie). Ook kiezen veel mensen ervoor om niet naar de psycholoog te gaan. Zij krijgen hierdoor niet de juiste hulp en lopen het risico langer langs de kant staan. Met alle gevolgen van dien, voor de patiënt én voor zijn of haar omgeving“ aldus Steven van Eijck, voorzitter van de LHV.
Breed maatschappelijk probleem
Uit het onderzoek blijkt dat het om een breed maatschappelijk probleem gaat dat zich voordoet bij patiënten van alle leeftijden en bij alle ziektebeelden. Wel komt zorgmijden vaker voor bij lager en middelhoog opgeleiden dan bij hoger opgeleiden en vaker bij autochtonen dan bij allochtonen. Als een patiënt aangeeft geen geld te hebben om het doktersadvies op te volgen, wijzen huisartsen hun patiënten op de mogelijke effecten van hun keuze. Ook geeft 77 procent van de respondenten aan op zoek te gaan naar alternatieven, bijvoorbeeld door het inplannen van een extra controleafspraak voordat gekozen wordt voor niet vergoede zorg.
Groter gezondheidsrisico en hogere zorgkosten
Van Eijck: “Dit onderzoek bevestigt hoe belangrijk een drempelloze toegang tot de huisartsenzorg is, want hierdoor zijn we gelukkig in staat om de gezondheidsrisico’s in beeld te brengen en deze samen met de patiënt te bespreken. Zorgmijden is niet alleen slecht voor de gezondheid maar leidt uiteindelijk vaak tot hogere zorgkosten, omdat er zwaardere ingrepen nodig zijn (in de tweede lijn). Kosten die de patiënt en wij als maatschappij juist willen vermijden.” De LHV gaat de komende periode in gesprek met haar achterban en andere eerstelijns organisaties over de impact van deze cijfers en hoe hiermee om te gaan.
Top-5 adviezen die niet worden opgevolgd
-
Naar een GGZ-instelling gaan (bijv. psycholoog)
-
Naar een eerstelijns zorgverlener gaan (bijv. fysiotherapeut)
-
Medicijnen afhalen
-
Lab-onderzoek laten doen
-
Aanvullend onderzoek laten doen (bijv. röntgenfoto’s)
Bron: LHV
View full post on FysioForum
Het Admiraal de Ruyter Ziekenhuis opent op dinsdag 4 juni 2013 een bekkenbodemcentrum in de locatie Vlissingen. In dit centrum worden patiënten ontvangen met uiteenlopende plas- en verzakkingsproblemen. Het bijzondere van het bekkenbodemcentrum is de intensieve samenwerking van diverse disciplines. Urologen, gynaecologen en chirurgen zijn aan het centrum verbonden, maar ook gespecialiseerde verpleegkundigen, fysiotherapeuten, maag-, darm- en leverartsen en psychologen worden ingezet, waarna binnen een uur een zorgtraject kan worden opgesteld.
Incontinentie is een veel voorkomende aandoening. Meer dan de helft van de Nederlandse vrouwen van 45 jaar en ouder heeft er last van. Ook onder mannen komt incontinent voor, maar bij vrouwen toch nog zo’n twee keer zoveel. De blaas, de baarmoeder en de endeldarm worden met banden op hun plaats gehouden. Deze organen rusten op de spieren van de bekkenbodem. Als de banden en spieren niet sterk genoeg zijn, kunnen de organen naar buiten komen. Dit wordt een verzakking genoemd en die kan leiden tot urineverlies of problemen met de ontlasting.
Urineverlies leidt vaak tot gevoelens van schaamte en frustratie. In veel gevallen blijken de klachten wel degelijk te verhelpen of ze kunnen sterk worden verminderd. Met name veel ouderen in bejaarden- en verzorgingstehuizen hebben last van ongewenst urineverlies en verzakkingen, terwijl zij denken dat er weinig aan te doen is. Ook het vervelende gevoel dat verzakking geeft bij het lopen kan worden verholpen.
Er zijn niet alleen veel verschillende vormen van urine-incontinentie, ook de oorzaken kunnen sterk uiteen lopen. Het is van belang dat snel de juiste diagnose wordt gesteld. Juist door de samenwerking van verschillende disciplines in het bekkenbodemcentrum is dat mogelijk. De patiënt kan in één spreekuur worden gezien door verschillende specialisten. Het gevolg is een snellere en complete diagnose en een passend zorgtraject.
Bron: Admiraal de Ruyter Ziekenhuis
View full post on FysioForum
De achteruitgang gedurende één jaar in 6-minuten wandeltest, een inspanningstest waarbij de patiënt wordt gevraagd zo ver mogelijk te wandelen in zes minuten tijd, lijkt bepalend voor de overlevingskansen bij patiënten met chronisch obstructief longlijden (COPD). Dit blijkt uit een drie jaar durende wereldwijde ECLIPSE-studie
ECLIPSE staat voor Evaluation of COPD Longitudinally to Identify Predictive Surrogate End-points (gesponsord door geneesmiddelenfabrikant GlaxoSmithKline) bij patiënten met COPD, uitgevoerd door onderzoekers van CIRO+ in Horn in nauwe samenwerking met onderzoekers van onder meer Imperial College in Londen en Harvard University in Boston.
De studie werd afgelopen week gepubliceerd in het prestigieuze Amerikaanse tijdschrift American Journal of Respiratory and Critical Care Medicine.
Dr. Martijn Spruit, wetenschappelijk adviseur en onderzoeksthemaleider aan het CIRO+, Expertisecentrum voor Chronisch Orgaanfalen in Horn. “Dit is de eerste studie wereldwijd die aantoont dat patiënten met COPD met de grootste achteruitgang in de 6-minuten wandeltest gedurende één jaar eerder zullen overlijden dan COPD patiënten waarbij de wandelafstand minder snel achter uit gaat. Deze studie toont wederom aan dat de 6-minuten wandeltest een nuttig instrument is om deels de ernst van COPD beter te begrijpen.”
De onderzoekers onderzochten 2112 patiënten met matig tot zeer ernstig COPD die bij aanvang van de studie en één jaar nadien een 6-minuten wandeltest uitvoerden. De onderzoekers ontdekten dat een achteruitgang van gemiddeld 40 meter duidt op een verhoogd risico op overlijden bij patiënten met COPD. De patiënten met COPD die in leven bleven gedurende de studie hadden een achteruitgang in 6-minuten wandelafstand van gemiddeld 10 meter.
Prof. dr. Emiel Wouters, hoogleraar Longziekten in het Maastricht Universitair Medisch Centrum (MUMC+) en medeauteur van deze studie, onderstreept het belang van deze nieuwe bevindingen: “Een beperkt inspanningsvermogen is een belangrijk klinisch probleem bij patiënten met COPD die eenvoudig en betrouwbaar gemeten kan worden met de 6-minuten wandelafstand. Het feit dat een achteruitgang in de 6-minuten wandelafstand een verhoogd risico op overlijden voorspelt, toont aan dat de 6-minuten wandeltest deel moet uitmaken van een reeks van onderzoeken die patiënten met COPD jaarlijks moeten ondergaan om het verloop van de aandoening beter te kunnen opvolgen.”.
In een begeleidend redactioneel commentaar in de American Journal of Respiratory and Critical Care Medicine geven Australische en Amerikaanse onderzoekers aan dat deze nieuwe bevindingen klinisch relevant zijn en ook weer richting geven voor nieuw wetenschappelijk onderzoek, waarbij dan vooral het verband tussen de afname in 6-minuten wandelafstand en het vroegtijdig overlijden nader moet worden bestudeerd.
Bron: azM
View full post on FysioForum
Patiënten met chronische obstructieve longziekte (COPD) hebben vrijwel altijd ook andere kwalen onder de leden. De helft van de patiënten met matig tot ernstig COPD heeft zelfs vier of meer bijkomende kwalen. Dat schrijven Lowie Vanfleteren en collega’s deze maand in het American Journal of Respiratory and Critical Care Medicine (met editorial)*.
‘Die bijkomende kwalen lijken niet willekeurig voor te komen onder de patiënten’, zegt Vanfleteren. ‘Er zitten patronen in waar huisartsen en longartsen lering uit kunnen trekken.’
Cormorbiditeiten
In een studie van CIRO+, expertisecentrum voor chronisch orgaanfalen, onderzochten Vanfleteren en collega’s ruim 200 patiënten met COPD. Bij 97,7% van de patiënten vonden ze tenminste één zogenoemde comorbiditeit uit een lijst van dertien aandoeningen. Bij 53,5% van de patiënten vonden ze zelfs vier of meer comorbiditeiten. De onderzoekers keken gericht naar chronische nierproblemen, bloedarmoede, hoge bloeddruk, obesitas, ondergewicht, spierafbraak, verhoogd glucose, verstoorde cholesterolhuishouding, osteoporose, angststoornissen, depressie, aderverkalking en hartziekten. Daarnaast bepaalden ze verschillende ontstekingsfactoren in het bloed.
Uniek onderzoek
Het is al langer bekend dat COPD-patiënten veel bijkomende kwalen vertonen, weet Vanfleteren. ‘Maar dat is bijna altijd onderzocht door achteraf in patiëntendossiers te zoeken. Nog niet eerder is op deze schaal gericht medisch onderzoek gedaan aan mensen met COPD. Bovendien hebben wij een computerprogramma patronen laten zoeken in het voorkomen van de verschillende kwalen. Daar kamen vijf duidelijke clusters uit naar voren: een ‘hart- en vaatcluster’, een ‘metabool cluster’, een ‘psychologisch cluster’, een cluster met ‘ondervoeding’ en een cluster met ‘minimale comorbiditeit.’
Oorzaak of gevolg
Er wordt in de wetenschappelijke literatuur veel gespeculeerd over de reden van al die bijkomende kwalen bij COPD, vertelt Vanfleteren. ‘Verschillende onderzoekers hebben geopperd dat chronische ontstekingsreacties in het lichaam de basis zouden kunnen zijn voor zowel de longproblemen als de bijkomende kwalen. Maar uit ons onderzoek blijkt geen duidelijk verband tussen de verschillende ontstekingswaarden in het bloed en de aard van de bijkomende aandoeningen.’
Waar de studie dus nog geen directe verklaring geeft voor het samenkomen van COPD en andere problemen, biedt dit werk wel en duidelijke handreiking aan huisartsen en longartsen, stelt Vanfleteren. ‘Als je weet dat de comorbiditeiten in clusters voorkomen, dan ben je als arts dus gewaarschuwd. Zie je bijvoorbeeld een magere COPD-patiënt met spierzwakte, wees dan ook alert op nierproblemen en osteoporose.’
Bron: azM
View full post on FysioForum