Posts Tagged ‘onderzoek’

Binnen de fysiotherapie is een noodzakelijke verschuiving in het gebruik van codestelsels en terminologie zichtbaar. Het betreft een verandering naar het coderen van interventies op basis van stelsels zoals de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF).

De Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en Nictiz ondersteunen de fysiotherapeut om mogelijkheden te creëren voor deze verandering.

Het KNGF en Nictiz zijn een onderzoek gestart om de bestaande coderingen, de noodzakelijke codering voor de declaraties en de gewenste codering van interventies te ‘mappen’ naar SNOMED CT. Zo worden termen in verschillende thema’s systematisch met elkaar vergeleken, en de mate van overeenkomst of verschil bepaald. Hierdoor ontstaat er een werkbare situatie voor verdere ICT-ontwikkelingen. De ICT-leveranciers van fysiotherapeuten kunnen dit inbouwen in de informatiesystemen. De resultaten van het onderzoek inclusief een selectie van termen is naar verwachting eind 2012 gereed.

Bron: Nictiz

View full post on FysioForum

De onderzoeksmethoden en therapeutische inhoud van studies naar de effectiviteit van (fysio)therapeutische training moeten beter. Zonder verbetering van beide blijven juiste conclusies over de (in)effectiviteit lastig te trekken. Deze week presenteerden TNO en de Sint Maartenskliniek, in samenwerking met het Nivel en het Maastricht UMC+, in het internationaal toonaangevende tijdschrift PLoS-ONE een methode om het therapeutisch trainingsonderzoek van de fysiotherapie te verbeteren.

Fysieke inactiviteit is wereldwijd de 4de risicofactor voor overlijden. Met therapeutisch trainen proberen fysiotherapeuten dat terug te dringen, vooral bij mensen met chronische aandoeningen. Dat de effecten gering en kortstondig zijn, heeft mede te maken met de beperkte aandacht die onderzoekers tot op heden besteedden aan aspecten als de onderbouwing van de training en het trainen op maat.

In het PLoS-ONE-onderzoek werden 13 wetenschappelijke, preoperatieve, therapeutische trainingen onderzocht op hun kwaliteit. Met behulp van een nieuw instrument de “CONTENT”werden ze op een negental kritieke succesfactoren beoordeeld. Experts van TNO, Sint Maartenskliniek, Nivel en UM/MUMC+ concludeerden dat geen van de oefenprogramma’s voldeed aan de voorafgestelde kwaliteitseisen. Veelal werden de verkeerde patiënten getraind, namelijk de relatief fitte patiënten. Terwijl de niet-fitte patiënten, die het meeste baat hebben bij training, werden uitgesloten. Ook lag de trainingsintensiteit vaak erg laag, zelfs regelmatig onder het niveau van de Nederlandse Norm Gezondheid Bewegen.

Met het door de partners gemaakte nieuwe instrument “CONTENT” kunnen het onderzoek naar de praktijk van therapeutisch trainen sterk verbeteren. De “CONTENT” kan daarbij dienen als een APK-checklist voor de 8000 eerdere systematische reviewstudies naar de effectiviteit van therapeutisch trainen.

Download het artikel (PDF)
Bron: TNO

View full post on FysioForum

Dankzij het promotieonderzoek van Joanna Schaafsma in het UMC Utrecht hoeven patiënten met een behandeld aneurysma niet langer een ingrijpend onderzoek te ondergaan voor controle. Een MRI-scan volstaat.

Patiënten met een ballonvormige uitstulping van bloedvaten in de hersenen (een aneurysma) worden vaak behandeld door de uitstulping op te vullen met dunne platina draadjes, zogenaamde coils. In de jaren daarna moet bij de patiënten gecontroleerd worden of de coils nog op hun plaats zitten. De controle bestaat uit een röntgenfoto van de hersenvaten. Hiervoor moet via de liesslagader een katheter worden ingebracht krijgt de patiënt contrastvloeistof toegediend. Ook wordt de patiënt een halve dag opgenomen.
Sneller en goedkoper

Deze relatief tijdrovende, dure en invasieve procedure kan vervangen worden door een  risicoloze MRI-scan van de bloedvaten. Dat laat neuroloog-in-opleiding en arts-onderzoeker Joanna Schaafsma zien in haar proefschrift. Zij bracht bij 310 patiënten 385 gecoilde aneurysma’s zowel in beeld met röntgenfoto’s tijdens katheteronderzoek als met een MRI-scan. Ze concludeert dat met de MRI-scan het gecoilde aneurysma net zo goed te zien is als met röntgenfoto’s. Voor de MRI-scan zijn geen röntgenstralen of contrastvloeistof nodig en een gangbare 1,5 Tesla-scanner is goed genoeg. De scan duurt een half uur en wordt poliklinisch gemaakt. Vervolgonderzoek met een MRI-scan is bovendien goedkoper dan het katheteronderzoek, en daarmee kosteneffectiever, berekende Schaafsma.

“In het UMC Utrecht zijn we na dit onderzoek meteen MRI-scans gaan gebruiken om deze patiënten te vervolgen na behandeling met coils”, vertelt Schaafsma. “De MRI-scan is net zo goed als het katheteronderzoek, maar heeft geen van de nadelen. Patiënten zijn er erg blij mee. Zij krijgen nu een poliklinische MRI-scan, terwijl ze voorheen een halve dag opgenomen moesten worden.”

1200 patiënten per jaar

Ongeveer drie procent van de bevolking heeft een aneurysma in de hersenen, maar lang niet alle aneurysma’s geven klachten of zullen barsten. Jaarlijks krijgen zo’n 1200 mensen een hersenbloeding door een gebarsten aneurysma. Als een aneurysma scheurt krijgen patiënten een zeer ernstige hersenbloeding. Ongeveer tweederde van de patiënten overleeft de bloeding, maar veel patiënten ondervinden daarna ernstige beperkingen door hersenschade. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 800 patiënten behandeld met coils, in het UMC Utrecht zijn dat er zo’n 120.

Bron: UMC Utrecht

View full post on FysioForum

Dankzij grootschalig genetisch onderzoek beschrijft een team van internationale onderzoekers welke genen reuma veroorzaken. Prof.dr. Paul de Bakker van het UMC Utrecht leidde het onderzoek en analyseerde met zijn collega’s de genetische eigenschappen van 5.000 reuma-patiënten en 15.000 gezonde mensen. Ze kwamen zo vijf eiwit-varianten op het spoor die een belangrijke rol spelen in reumatoïde artritis.

Geneticus prof.dr. Paul de Bakker werkt bij het UMC Utrecht en is een van de hoofdonderzoekers van de studie. “Onze resultaten verklaren welke onderdelen van het immuunsysteem betrokken zijn bij de afweerreactie tegen het eigen lichaam. Dit fundamentele inzicht is essentieel om uiteindelijk betere medicijnen te ontwikkelen.”

Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met geneticus dr. Soumya Raychaudhuri van Harvard Medical School in Boston. De resultaten zijn beschreven in het tijdschrift Nature Genetics van zondag 29 januari.

Afweerreactie
Bij de meeste patiënten met reumatoïde artritis (‘reuma’) maakt het immuunsysteem antistoffen tegen het eigen kraakbeen. Daardoor treedt gewrichtsschade en pijn op. Zogenaamde HLA-eiwitten spelen een sleutelrol bij de afweerreactie tegen het lichaamseigen kraakbeen. Sommige varianten van de HLA-eiwitten vergroten de kans op zo’n afweerreactie enorm.

De onderzoekers analyseerden zeer grondig het verband tussen HLA-eiwitten en reuma. Daardoor ontdekten ze in drie verschillende HLA-eiwitten vijf varianten die samen het risico voor reuma verhogen. Deze varianten beïnvloeden allemaal het onderdeel van het HLA-eiwit waarmee het lichaamseigen stukjes of vreemde stukjes moet vastpakken. “Dankzij onze resultaten is het iets makkelijker geworden om uit te vinden welke lichaamseigen stukjes worden aangevallen in reumapatiënten,” aldus De Bakker.

150.000 patiënten
In Nederland lijden meer dan 150.000 mensen aan reumatoïde artritis. Zij hebben chronische ontstekingen van meerdere gewrichten. De belangrijkste symptomen zijn pijn en stijfheid. Een echte behandeling bestaat niet. Het remmen van de ontsteking en pijn verlicht alleen de symptomen.

Bron: UMC Utrecht

View full post on FysioForum

Verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties die een relatief slechte beoordeling van patiënten hadden gekregen, hebben hun zorg verbeterd. De prestaties kunnen mogelijk nog beter worden door cliënten actief te betrekken bij het doorvoeren van verbeteringen, stelt Marloes Zuidgeest in onderzoek van Tranzo, het NIVEL en het Centrum Klantervaring Zorg, waarop zij woensdag 21 december aan Tilburg University promoveert.

De ervaringen van cliënten met de zorg worden gemeten met gestandaardiseerde vragenlijsten, de Consumer Quality Index (CQI of CQ-index). Bij het opstellen en testen van die vragenlijsten krijgt de inbreng van cliënten veel aandacht. Maar bij het gebruik van de meetresultaten voor het verbeteren van de zorg zijn cliënten nog te weinig betrokken. Cliëntenraden van verpleeg- en verzorgingshuizen hebben wettelijke rechten om op basis van een CQI meting advies te geven en verbeterprioriteiten te benoemen. Ze maken echter te weinig gebruik van deze bevoegdheden. In de praktijk bepaalt vooral het management van een instelling hoe gegevens over cliëntervaringen worden gebruikt in het kwaliteitsbeleid. De prestaties kunnen mogelijk nog beter worden door cliënten daadwerkelijk te betrekken bij verbeterstrategieën, stelt Marloes Zuidgeest.

Standaard
De Consumer Quality index (CQ-index) is de Nederlandse standaard voor het meten van ervaringen van patiënten met de zorg. Deze gestandaardiseerde methode levert kwaliteitsgegevens op waarmee de ervaringen van cliënten zijn te verbeteren. Uit het onderzoek van Zuidgeest blijkt dat de CQ-index methodiek valide en wetenschappelijk betrouwbare gegevens oplevert, die voor cliëntenraden herkenbaar zijn en die duidelijk iets toevoegen aan de informatie die verpleegkundigen en verzorgenden over cliënten vastleggen. Toch zijn er verbeterpunten. In de ontwikkelfase van CQ-index vragenlijsten moet bijvoorbeeld meer aandacht worden besteed aan de interviewmethoden, om ervoor te zorgen dat cliënten de vragen goed begrijpen. Daarnaast moeten rapporten en presentaties over de resultaten van metingen zo duidelijk zijn gesteld dat cliëntenraden de uitkomsten begrijpen en ermee aan de slag kunnen, samen met het management en de professionals in de instelling.

Bron: NIVEL

View full post on FysioForum

Kwaliteit en kosten van de eerstelijnsgezondheidszorg worden in 34 landen onder de loep genomen. Onderzoekers van het NIVEL, RIVM en samenwerkingspartners uit België, Duitsland, Slovenië en Italië publiceerden de onderzoeksopzet onlangs in het wetenschappelijke tijdschrift BMC Family Practice.

Hoe ziet goede en betaalbare gezondheidszorg eruit? Er zijn aanwijzingen dat landen met een sterke eerstelijnszorg beter inspelen op de behoeften aan zorg in de bevolking en bovendien de kosten beter in de hand kunnen houden. De bevolking in deze landen zou ook een betere gezondheid hebben. Maar hoewel veel landen de versterking van de eerste lijn, met een centrale positie voor huisartsen, inmiddels tot een beleidsprioriteit hebben gemaakt, is er nog steeds behoefte aan kennis en inzicht over het effect van een sterke eerstelijnszorg en hoe die uitwerkt op de gezondheidszorg als geheel.

Kwaliteit en kosten
Het QUALICOPC onderzoek (Quality and Costs of Primary Care in Europe) probeert de prestaties van de eerstelijnszorg in Europa te evalueren op onder meer kwaliteit van zorg, toegankelijkheid van voorzieningen en de kosten. De onderzoekers willen concreet maken wat een sterke eerste lijn inhoudt en welke aspecten van eerstelijnszorg er dan precies voor zorgen dat het gezondheidszorgsysteem als geheel beter presteert. Bevindingen uit eerder onderzoek, zoals een betere toegankelijkheid en minder sociale ongelijkheid door een sterke eerste lijn, zullen met meer gedetailleerde gegevens worden getest. Het onderzoek wordt gesubsidieerd door de Europese Commissie.

Huisartsen en patiënten in 34 landen
Voor het onderzoek worden gegevens verzameld in 31 Europese landen (27 EU-landen, IJsland, Noorwegen, Zwitserland en Turkije) en in Australië, Israel en Nieuw Zeeland. De onderzoekers kijken naar het ‘zorgsysteem’, de huisartspraktijk en de patiënten die daar met hun zorgvraag komen. Momenteel krijgen gemiddeld 220 huisartsen en 2200 patiënten per land vragenlijsten waarmee het proces en de uitkomsten van de eerstelijnszorg in kaart worden gebracht en vergeleken. Hoe is de praktijk georganiseerd? Welke zorg levert de huisarts en wat zijn de ervaringen van patiënten daarmee? Voor de gegevens over de zorgsystemen in Europa maakt het QUALICOPC-onderzoek gebruik van gegevens die zijn verzameld in het onlangs afgesloten PHAMEU onderzoek (Primary Health Care Activity Monitor Europe).

Verschillende gegevensbronnen
Europa is het laboratorium van het QUALICOPC-onderzoek. Het onderzoek moet in detail zichtbaar maken wat een sterke eerste lijn oplevert, en daarom wordt gebruik gemaakt van uiteenlopende data op verschillende niveaus: op nationaal niveau, maar ook data van huisartspraktijken en patiënten. Omdat het onderzoek zich uitstrekt tot 34 landen kunnen de varianten van eerstelijnsgezondheidszorg die zich daar voordoen in de studie worden betrokken.

Downloads:
BMC Family Practice, vol. 12, (2011), nr. 115
De eerste lijn (NIVEL-Overzichtstudies). Utrecht: NIVEL, 2011. 112 p.

Bron: Nivel

View full post on FysioForum

Tussen juni en december 2011 ontvangen alle inwoners in de gemeente Leiderdorp tussen de 45 en 65 jaar een uitnodiging om mee te doen aan de NEO studie van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). De NEO studie (Nederlandse Epidemiologie van Obesitas) is een grootschalig onderzoek naar de oorzaken van ziekte bij mensen met overgewicht of obesitas.

Inwoners ontvangen de uitnodiging op basis van een selectie op leeftijd uit de gemeentelijke basisadministratie. Voor het slagen van het onderzoek is het belangrijk dat zowel mensen met een normaal gewicht als mensen met overgewicht meedoen. Iedereen in de leeftijd van 45 tot 65 jaar wordt dus uitgenodigd om mee te doen aan de NEO studie.

Deelnemers vullen van tevoren twee vragenlijsten in en verzamelen urine. Vervolgens komen ze een ochtend naar het LUMC voor verschillende metingen, waaronder een vetpercentagemeting, bloedafnames en hart-, vaat- en longfunctietesten. Sommige deelnemers zullen ook een MRI-scan, een stofwisselingsmeting of een hartritmemeting ondergaan. De onderzoeksuitslagen over gewicht, bloeddruk, cholesterol, glucose (suikergehalte), nierfunctie en longfunctie worden per brief aan deelnemers bekend gemaakt. Ook ontvangen deelnemers een lunchbon en eventuele reiskosten worden uiteraard vergoed.

Overgewicht is een medeoorzaak van veel verschillende ziekten, zoals diabetes, hart- en vaatziekten, nierfalen, gewrichtsproblemen en depressies. Met dit onderzoek wil het LUMC een antwoord vinden op de vraag waarom de ene persoon met overgewicht ziek wordt, en de ander niet. Hiervoor worden gegevens van in totaal 6.000 volwassenen met overgewicht of obesitas in Leiden en omstreken verzameld.

Ga voor meer informatie naar de website:  www.neostudie.nl

Bron: LUMC

View full post on FysioForum

Het UMCG start een onderzoek naar een nieuwe, minder belastende behandeling voor patiënten met COPD. Hierbij worden via een nieuwe techniek, ‘bronchoscopische longvolume reductie’ genoemd, de meest aangedane delen van de long afgesloten met zogenaamde eenrichtingsventielen. Dit onderzoek (de Stelvio-trial) heeft als doel om patiënten met ernstig COPD door een weinig belastende ingreep een betere kwaliteit van leven te geven. Longarts Dirk Jan Slebos van het UMCG kreeg voor de uitvoering van dit onderzoek een subsidie van 200.000 euro van ZonMw. View full post on Fysiotherapie : Nieuws

Tijdens de Top Institute (TI) Pharma meeting in april heeft Lobke Gierman de posterprijs gewonnen met onderzoek naar het anti-inflammatoire effect van View full post on Fysiotherapie : Nieuws

Prof. dr. Marcel Olde Rikkert (Geriatrie) en prof. dr. Bas Bloem en dr. Marten Munneke (beiden Neurologie) krijgen een Europese subsidie van bijna een View full post on Fysiotherapie : Nieuws