Posts Tagged ‘over’
In dit artikel wordt nagegaan hoe de Nederlandse bevolking denkt over de eigen bijdrage voor een aantal zorgkosten waaronder fysiotherapie. De resultaten laten zien dat veel mensen voorstander zijn van een eigen bijdrage wanneer de zorgkosten het gevolg zijn van een ongezonde leefstijl, zoals roken en overmatig alcoholgebruik. Wanneer het gaat om de kosten van loophulpmiddelen of de anticonceptiepil, vindt meer dan de helft dat deze volledig moeten worden vergoed.
De kosten van de gezondheidszorg nemen echter flink toe. Daardoor kan de solidariteit in de gezondheidszorg onder druk komen te staan. Door de stijgende zorgkosten wordt er steeds vaker een eigen bijdrage gevraagd. Daarnaast zijn er ook zorgkosten die volledig voor eigen rekening komen, tenzij er een aanvullende verzekering is afgesloten, zoals de kosten van de anticonceptiepil voor vrouwen ouder dan 21 jaar.
Uit eerder onderzoek blijkt dat er een grote solidariteit bestaat met groepen die onmachtig zijn en weinig schuld treffen als het gaat om hun zorgbehoefte, ouderen zijn hiervan een duidelijk voorbeeld. Oud worden is een natuurlijk, onomkeerbaar proces dat vaak samengaat met een grotere behoefte aan zorg. Daarbij komt dat veel mensen zelf ook ouderen in hun directe omgeving hebben, bijvoorbeeld (groot)ouders, en is er vaak de idee dat ouderen in het verleden veel voor onze samenleving hebben gedaan. Ook dat zou aan een sterk solidariteitsgevoel voor ouderen bijdragen. Daarom is de verwachting dat veel mensen voorstander zijn van het volledig vergoeden van de zorgkosten van deze groep, zoals de kosten van een rollator of looprekje. Een ander voorbeeld van een groep die waarschijnlijk vanuit de samenleving op veel steun kan rekenen, zijn mensen die bij een verkeersongeval betrokken zijn geraakt. Ook zij hebben vaak weinig invloed op hun behoefte aan zorg. Het is daarom aannemelijk dat in een dergelijk geval veel mensen vinden dat eventuele zorgkosten volledig moeten worden vergoed.
Groepen die door hun gedrag gezondheidsrisico’s vergroten, zoals rokers en mensen die veel alcohol drinken, kunnen doorgaans op minder solidariteit rekenen. Dit komt waarschijnlijk doordat mensen vinden dat deze groepen vaker zelf verantwoordelijk zijn voor hun zorgbehoefte. De verwachting is daarom dat relatief veel mensen een eigen bijdrage voor zorgkosten die voortkomen uit een ongezonde leefstijl zullen goedkeuren. Verwacht wordt dat dit ook geldt voor zorgkosten die het gevolg zijn van overgewicht. Hoewel hier ook erfelijke en omgevingsfactoren een rol kunnen spelen, zullen waarschijnlijk veel mensen overgewicht toeschrijven aan een ongezonde leefstijl.
In tegenstelling tot ongezond eten, veel alcohol drinken en roken, is sporten over het algemeen juist goed voor de gezondheid. Desondanks brengt sporten ook zorgkosten met zich mee, bijvoorbeeld doordat mensen blessures oplopen. Omdat het hier niet om een onmachtige groep gaat en bovendien het eigen gedrag hierbij een belangrijke rol speelt, zal ook hier een groot deel van de bevolking waarschijnlijk vinden dat een eigen bijdrage op zijn plaats is.
Eigen bijdrage
Aan respondenten is gevraagd om voor verschillende zorgkosten aan te geven of deze helemaal zelf betaald, gedeeltelijk zelf betaald of volledig vergoed zouden moeten worden. Het ging hierbij om de kosten van een rollator of looprekje, de anticonceptiepil, fysiotherapie bij een sportblessure, fysiotherapie na een verkeersongeval en de behandeling van ziekten of aandoeningen die het gevolg zijn van roken, overmatig alcoholgebruik of overgewicht.
Volgens verwachting vinden mensen relatief vaak dat een eigen bijdrage moet worden betaald wanneer de leefstijl het risico op zorgkosten kan vergroten. Zo is een groot deel van de volwassen Nederlandse bevolking voorstander van een eigen bijdrage voor behandelkosten van ziekten die het gevolg zijn van roken of overmatig alcoholgebruik (grafiek 1). Bijna 45 procent vindt dat deze kosten gedeeltelijk zelf moeten worden betaald. Een kleinere groep van ongeveer een kwart vindt zelfs dat deze kosten helemaal voor eigen rekening moeten komen. Een meerderheid vindt ook dat er een eigen bijdrage moet gelden voor ziekten die het gevolg zijn van overgewicht. Bijna de helft pleit voor een gedeeltelijke eigen bijdrage. Een vergelijkbaar beeld komt naar voren bij fysiotherapie bij een sportblessure. In deze gevallen is een minderheid van ongeveer 10 procent voor het volledig zelf betalen van de kosten
Mening van de bevolking van 18 jaar en ouder over de eigen bijdrage voor verschillende medische kosten, 2010

De Nederlandse bevolking heeft vaak een andere mening wanneer mensen hulp nodig hebben door omstandigheden waar zij weinig aan kunnen veranderen. In tegenstelling tot fysiotherapie bij een sportblessure, vindt een ruime meerderheid van 91 procent dat fysiotherapie na een verkeersongeval volledig moet worden vergoed. Slechts 8 procent vindt dat er dan een gedeeltelijke eigen bijdrage zou moeten gelden. Ook de kosten van loophulpmiddelen, die veel door ouderen worden gebruikt, zouden volgens bijna 60 procent van de volwassen bevolking volledig moeten worden vergoed.
Sportgedrag en de eigen bijdrage voor fysiotherapie bij een sportblessure
Regelmatige sporters vinden met 10 tegen 16 procent minder vaak dan niet-regelmatige sporters dat fysiotherapie bij een sportblessure helemaal zelf moet worden betaald (grafiek 2). Ook dit is in overeenstemming met het identiteitsprincipe. De meerderheid van beide groepen, dus ook van de regelmatige sporters, is echter voorstander van een gedeeltelijke eigen bijdrage. Verwacht werd dat regelmatige sporters juist vaak zouden pleiten voor het volledig vergoeden van fysiotherapiekosten bij een sportblessure. Dit blijkt niet het geval.
Mening over de eigen bijdrage voor fysiotherapie bij een sportblessure naar sportgedrag, 2010

Leeftijd en de eigen bijdrage voor een rollator of looprekje
Omdat ouderen vaker rollators of looprekjes gebruiken dan jongeren, wordt verwacht dat zij vaker voorstander zijn van het volledig vergoeden van de kosten van deze loophulpmiddelen. Het blijkt echter dat juist jongeren dit vaker vinden dan ouderen (grafiek 3). Ongeveer 65 procent van de 18- tot 35-jarigen vindt dat de kosten van rollators en looprekjes volledig moeten worden vergoed, tegen bijna de helft van de 65-plussers. Van de laatste groep vindt bijna 20 procent dat deze kosten helemaal zelf moeten worden betaald. Bij de 18- tot 35-jarigen is dit slechts 5 procent.
Mening over de eigen bijdrage voor een rollator of looprekje naar leeftijd, 2010

Deze grote solidariteit van jongeren zou kunnen komen doordat ze ouderen vaak als een onmachtige, behoeftige groep zien. Dat ze zelf ook vaak ouderen in hun directe omgeving hebben, bijvoorbeeld grootouders, zou ook kunnen meespelen.
Het beeld dat jongeren meer solidair lijken met oudere leeftijdsgroepen dan ouderen zelf, strookt niet met eerder onderzoek. Zo laat onderzoek naar de mening over de zorgpremie zien dat oudere leeftijdsgroepen vaker pleiten voor een lagere zorgpremie voor ouderen dan jongere leeftijdsgroepen. Wel vindt de meerderheid van alle leeftijdsgroepen, ook van de jongeren, dat de zorgpremie voor ouderen ongewijzigd zou moeten blijven.
Conclusies
In dit artikel is onderzocht in hoeverre de volwassen Nederlandse bevolking vindt dat voor een aantal zorgkosten een eigen bijdrage zou moeten gelden. Voor uiteenlopende medische kosten is gevraagd of deze helemaal zelf moeten worden betaald, gedeeltelijk zelf moeten worden betaald of dat een volledige vergoeding moet gelden.
Er zijn duidelijke verschillen in de mening over de eigen bijdrage voor fysiotherapie. Als het gaat om fysiotherapie na een verkeersongeval is een overgrote meerderheid voorstander van volledige vergoeding van de behandelkosten. Voor fysiotherapiekosten bij een sportblessure is juist ruim de helft voor een eigen bijdrage.
Wanneer naar de kosten van loophulpmiddelen, zoals een rollator of looprekje, wordt gekeken of naar de anticonceptiepil, vindt meer dan de helft dat deze kosten volledig moeten worden vergoed. Het deel dat voorstander is van het volledig verhalen van de kosten op de gebruikers is bij de anticonceptiepil groter dan bij de rollator. Hierbij speelt waarschijnlijk mee dat vooral ouderen gebruik maken van rollators en looprekjes. Volgens Van Oorschot worden ouderen vaak gezien als een onmachtige, behoeftige groep die steun verdient.
Daarnaast is nagegaan of mensen vaker een volledige vergoeding willen als zij zelf deel uitmaken van de betreffende groep. Uit eerder onderzoek blijkt dat mensen zich vaak solidair voelen met groepen waartoe zijzelf behoren en daardoor eerder steun geven aan deze groepen. Dit blijkt ook nu vaak het geval. Ook tussen regelmatige sporters en niet-regelmatige sporters zijn er weinig verschillen in de mening over de eigen bijdrage bij fysiotherapie na een sportblessure. De verschillen zouden groter kunnen zijn wanneer gekeken zou worden naar sporters en niet-sporters, een onderscheid dat in dit onderzoek niet mogelijk was.
Het meest afwijkende patroon is te zien bij de kosten van een rollator of looprekje. Vooral jongeren vinden dat deze kosten volledig vergoed moeten worden. Ouderen pleiten vaker voor een eigen bijdrage. Het behoren tot een bepaalde groep speelt dus niet altijd een rol bij het oordeel over de eigen bijdrage. Het eerder genoemde argument dat rollators en looprekjes vooral door ouderen worden gebruikt, en jongeren ouderen wellicht vaker als onmachtig en behoeftig bestempelen dan ouderen zelf, kan hiervoor mogelijk een verklaring zijn.
Rianne Kloosterman en Saskia te Riele
Bron: CBS
View full post on FysioForum
Volgens Trosradar heeft 88% van de Nederlanders een aanvullende zorgverzekering, maar gebruiken deze helemaal niet. Zij zouden daarom kunnen besparen door deze aanvullende dekking op te zeggen. Ook mensen die de verzekering (deels) gebruiken, kunnen geld besparen door de premie opzij te zetten en zelf de kosten van bijvoorbeeld de fysiotherapie te vergoeden.
Behalve het opzeggen van een onnodige aanvullende verzekering valt er ook veel te besparen op het eigen risico van de basisverzekering. Bovendien kan het lonen om over te stappen naar je eigen verzekering: met een internetvariant van exact dezelfde verzekering kan je vaak al zo’n 100 euro premie per jaar besparen.
Toeters en bellen
Iedereen moet een basisverzekering afsluiten voor de ziektekosten; dat staat in de wet en is verplicht. Deze verzekering dekt dan ook alle noodzakelijke zorg. Zo zijn ziekenhuisopnames, medicijnen -van een simpele antibioticakuur tot chemotherapie-, huisarts, ambulancevervoer allemaal verzekerd.
Wil je ook minder noodzakelijke zorg verzekeren dan kan dat met een aanvullende verzekering. Deze verzekering is er voor de ‘toeters en de bellen’ van de zorg. Daaronder vallen dingen, zoals fysiotherapie (alleen bij bepaalde chronische ziekten valt fysiotherapie onder de basisdekking), hulpmiddelen zoals brillen, psychologische zorg en alternatieve geneeswijzen.
Veel mensen hebben een aanvullende verzekering, maar maken nauwelijks gebruik van deze toeters en bellen. Ze gaan wel naar de tandarts voor controle, maar hebben eigenlijk nooit gaatjes. Of ze gaan maar twee keer per jaar naar de fysiotherapeut. Mensen die meer premie betalen dan ze uiteindelijk vergoed krijgen, zijn ‘oververzekerd’ en zouden deze verzekering beter op kunnen zeggen.
Ook mensen die maar sporadisch zorg gebruiken uit de aanvullende zorgverzekering zouden kunnen overwegen deze stop te zetten. Het kan voordeliger zijn om de premie op een aparte spaarrekening te storten en dat geld te gebruiken voor de aanvullende zorg. Zo heb je altijd geld beschikbaar en ben je flexibel in hoe je dit geld in wil zetten.
Trosradar versus het KNGF
Waar Trosradar de Nederlander adviseert om zo min mogelijk (bij) te verzekeren en de uitgespaarde kosten in een spaartegoed te bewaren om later zelf zorg te kunnen dragen voor bijvoorbeeld fysiotherapie, komt het KNGF met een reclamecampagne waarin ze juist de duurdere polissen aanbeveelt. Deze polissen zijn terug te zien op de consumentensite defysiotherapeut.com waar ze worden aangeduid met de polispluim. Een overzicht van deze polissen kun je downloaden middels dit PDF.
Maar wat raden jullie je patiënten aan? Aan het einde van het jaar krijgt elke fysiotherapeut te maken met vragen van patiënten die op zoek zijn naar een verstandig advies hoe te verzekeren. Verwijzen jullie liever naar de mening en informatie van Trosradar (zelf sparen en betalen) of juist naar die van het KNGF? (een luxe verzekering)
Bron: KNGF / Trosradar
View full post on FysioForum
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de schriftelijke vragen die door enkele fracties in de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 29 juni zijn gesteld. De gestelde vragen zijn naar aanleiding van mijn brief van 7 juni 2012 inzake e-health in de zorg. Door omstandigheden heeft mijn reactie langer dan gebruikelijk op zich laten wachten.
Vragen PvdA-fractie
1.
Hoe garandeert de minister dat fysiek contact en interactie binnen de zorg niet nog verder onder druk komen door de implementatie van e-health?
Antwoord vraag 1.
Fysiek contact zal altijd een belangrijke, zo niet de belangrijkste, vorm van contact zijn tussen patiënt en zorgverlener. Het contact op afstand zal dan ook niet alle fysieke contacten gaan vervangen. Daar waar het nodig is voor de kwaliteit van zorg, zal fysiek contact tussen patiënt en zorgverlener altijd blijven.
Het gebruik van ICT toepassingen geeft de mogelijkheid om nieuwe contacten te leggen of bestaande contacten te intensiveren. Het kan daarmee dus ook een middel zijn om sociaal isolement juist tegen te gaan. Overigens is e-health meer dan alleen het vervangen van fysiek contact door contact op afstand. Het gaat bijvoorbeeld ook om online dienstverlening, goede registratie en uitwisseling van informatie en het beter en gerichter informeren van patiënten.
2.
De minister stelt dat zij aandacht heeft voor de veiligheid en privacy met betrekking tot de informatie-uitwisseling en dit via nieuwe wetgeving wil vastleggen. Klopt het dat zij dit via de Wet cliëntenrechten zorg wil doen? Zo ja, is de minister zich bewust van het feit dat er een risico is dat aanvullende wet- en regelgeving pas over langere tijd beschikbaar zal zijn? Indien dit inderdaad het geval is, is de minister dan bereid om via een andere route de verbeterde bescherming van informatie versneld wettelijk te verankeren?
Antwoord vraag 2.
Ik vind de veiligheid van de gegevensuitwisseling en de privacy van de burger van groot belang. Om te zorgen dat de aanvullende regels waarvoor ik een wetsvoorstel in voorbereiding heb onafhankelijk van de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) in werking kunnen treden, bestaat het wetsvoorstel uit twee delen. Het bevat enerzijds een voorstel voor aanvullende regels in de Wcz, maar stelt diezelfde regels anderzijds ook voor als aanvulling op de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (Wbsn-z). Dit tweede deel zal in werking kunnen treden zolang de Wcz nog niet van kracht is. Overigens gelden op basis van de huidige wet- en regelgeving (Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de WGBO) al regels die een veilige uitwisseling van gegevens moeten waarborgen . Het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb dient als aanvulling op de bestaande regels. Het wetsvoorstel regelt:
De mogelijkheid voor de patiënt om elektronische inzage in en een elek- tronisch afschrift van het dossier te eisen;
De plicht van de zorgverlener om toestemming aan de patiënt te vragen voordat medische gegevens opvraagbaar worden gemaakt ten behoeve van elektronische uitwisseling (opt-in) en het vragen van toestemming voor het elektronisch opvragen van gegevens;
Het recht van de cliënt om (een) bepaalde (categorie van) hulpverleners op voorhand uit te sluiten van de gegevensuitwisseling;
Een verbod voor zorgverzekeraars om elektronische uitwisselingssystemen voor zorgaanbieders te raadplegen.
Voor het stellen van specifieke functionele, technische en organisatorische eisen aan elektronische gegevensuitwisseling heb ik een algemene maatregel van bestuur op basis van de Wbp in voorbereiding.
3.
Kan de minister op basis van het KPMG onderzoek ‘Verkenning e-health’ aangeven wat haar concrete doelstelling is met betrekking tot de opschaling van e-health in de zorg? Welke streefcijfers heeft de minister voor ogen als het gaat om de implementatie van e-health?
Antwoord vraag 3.
Het verkennende onderzoek zoals uitgevoerd door KPMG bevestigd het beeld dat er nog stappen te nemen zijn met betrekking tot het gebruik van ICT in de zorg. Voor wat betreft de dienstverlening van een zorginstelling vind ik het belangrijk dat er op termijn altijd een ‘ICT alternatief’ is voor patiënten. Hiermee bedoel ik dat een patiënt zich bijvoorbeeld online kan inschrijven bij een zorgverlener of er online een afspraak kan maken. Voor wat betreft het aandeel van ICT in het primaire zorgproces, vind ik dat de verantwoordelijkheid van de patiënt, de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar. Het is niet aan mij hiervoor streefcijfers op te stellen.
4.
Kan de minister aangeven wanneer zij verwacht deze structurele oplossing (t.a.v. financiering anonieme e-mental health) te kunnen presenteren aan de Kamer?
Antwoord vraag 4.
Voor 2012 en 2013 geldt het subsidiekader voor anonieme e-mental health. Voor de structurele oplossing (vanaf 2014) ben ik in gesprek met het CVZ om deze vorm te geven. Ik verwacht dit jaar de structurele oplossing te kunnen presenteren aan de Kamer.
5.
Onderschrijft de minister de bevindingen van KPMG t.a.v. ervaren problemen met de financiering van online consulten? Zo ja, hoe gaat de minister deze belemmering voor de implementatie van e-health door ontoereikende financiering aanpakken?
Antwoord vraag 5.
De conclusie van KPMG is, zoals u zelf ook stelt, gebaseerd op de ervaren belemmeringen bij zorgaanbieders. Het is daarom zaak zowel te kijken naar de betreffende regelgeving als ook naar de manier waarop informatie over de mogelijkheden binnen deze regelgeving beschikbaar is.
In de meeste zorgdomeinen is de bekostiging van online consulten mogelijk. Zo is er vaker niet dan wel in de prestatiebeschrijvingen opgenomen dat er sprake moet zijn van fysiek samenzijn van de patiënt en zorgprofessional. Hiermee bieden de meeste beschrijvingen ruimte voor een vervanging van het reguliere consult door een online consult. In de situaties waar dit niet zo is, bekijkt de Nederlandse Zorgautoriteit de wenselijkheid en de mogelijkheden voor het aanpassen van de regels.
Om beter inzicht te geven in de mogelijkheden voor e-health, ben ik samen met het College voor zorgverzekeringen, de Nederlandse Zorgautoriteit en ZonMw de website www.zorgvoorinnoveren.nl gestart. Op deze website is een apart dossier over e-health aangemaakt. Hierin zijn onder andere de mogelijkheden voor de bekostiging van verschillende e-health vormen voor alle zorgdomeinen terug te vinden.
Vragen CDA-fractie
6.
Hoe wil de minister stimuleren dat best practices worden gedeeld, zodat deze vorm van laagdrempelige zorg niet langer een drempel opwerpt voor sommige zorgaanbieders?
Antwoord vraag 6.
In mijn brief van 7 juni 2012 over e-health heb ik reeds aangegeven dat het primair de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en zorgverzekeraars is om het zorgaanbod vorm te geven. Daarnaast probeer ik zelf goede voorbeelden van innovatieve toepassingen van ICT te delen via het platform www.zorgvoorinnoveren.nl. Naast informatie over de mogelijkheden voor de bekostiging van e-health kunnen vernieuwers van zorg daar terecht voor informatie over nieuwe toepassingen en om in contact te komen met relevante partijen. Ook is er een online loket dat de mogelijkheid biedt om vragen te stellen aan de overheid over de regels en procedures met betrekking tot innovatie in de zorg.
7.
‘Continuïteit’ en ‘beschikbaarheid’ van ICT zullen mede de kwaliteit van de zorg bepalen. Om de kwaliteit van zorg te blijven garanderen zal het Kwaliteitsinstituut deze zaken ook moeten monitoren. Worden deze zaken meegenomen door het Kwaliteitsinstituut en hoe?
Antwoord vraag 7.
Ik zie continuïteit en beschikbaarheid van ICT als een bedrijfsmatige randvoorwaarde voor kwaliteit van de zorg. Het Kwaliteitsinstituut richt zich op professionele standaarden en meetinstrumenten en zoekt naar praktijkvariatie om te kunnen vaststellen voor welke zorgvraag professionele standaarden en meetinstrumenten prioriteit hebben. ICT en informatiestandaarden kunnen een plek hebben in professionele standaarden en meetinstrumenten. Als ICT nodig is voor goede zorg omdat het de beroepsnorm is, dan heeft de IGZ een taak bij het monitoren. Als ICT nodig is om te kunnen meten of goede zorg is geleverd dan hoort dat ook tot de beroepsnorm.
8.
Zou de minister meer informatie kunnen verstrekken over de plek van e-health en standaardisatie middels richtlijnen in het Kwaliteitsinstituut?
Antwoord vraag 8.
E-health heeft een plek in de professionele standaard als zorgvragers, zorgverleners en zorgverzekeraars het gebruik ervan state-of-the-art vinden. Standaardisatie heeft een plek in de professionele standaard voor wat betreft:
het kunnen meten van de kwaliteit van de geleverde zorg: wat wordt hoe geregistreerd zodat de gegevens uiteindelijk vergelijkbaar zijn;
het uitwisselen van gegevens in de keten die nodig is voor de zorgverle- ning aan een gezamenlijke zorgvrager.
9.
Eerder is de motie Omtzigt aangenomen waarin wordt verzocht het elektronische inzagerecht binnen de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) te regelen op zodanige wijze dat patiënten ook een afschrift kunnen ontvangen. Dus ook op papier of via een USB-stick. Wordt dit meegenomen in het huidige wetsvoorstel (m.b.t. inzagerecht patiënt) dat naar de Raad van State is verstuurd? En is de genoemde datum van 1 januari 2013 nog steeds haalbaar?
Antwoord vraag 9.
De elektronische inzage wordt meegenomen in het wetsvoorstel ter aanvulling van de Wcz en de Wbsn-z (zie ook het antwoord op vraag 2). In het wetsvoorstel krijgt de patiënt recht op elektronische inzage en een elektronisch afschrift van zijn gegevens. Het wetsvoorstel schrijft niet voor op welke wijze dat moet gebeuren, dat is aan de zorgaanbieder. Uiteraard moet de elektronische inzage op een veilige manier gebeuren en moet worden voldaan aan de wet- en regelgeving. Bij de invulling van deze regelgeving zijn de moties Kuiken nr. 69 en Omtzigt nr. 70 verwerkt. Het wetsvoorstel is door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) en de Raad van State van advies voorzien. Momenteel wordt het advies van de Raad van State verwerkt waarna het wetsvoorstel aan de Kamer wordt aangeboden.
10.
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het onderzoek (naar knelpunten rondom zorgvernieuwing) verwachten?
Antwoord vraag 10.
Het onderzoek is gedaan door mijn ministerie, het College voor zorgverzekeringen, de Nederlandse Zorgautoriteit en ZonMw en gaat over knelpunten in hun werkwijzen en onderlinge samenwerking ten aanzien van vernieuwing van zorg. Het onderzoek zal eind 2012 worden afgerond.
11.
Wanneer vindt de evaluatie van de subsidie voor anonieme e-mental health toepassingen plaats en wanneer wordt besloten tot al dan niet verlengen? Is dat in de begroting van 2014? Ontvangt de Kamer hiervoor een aparte evaluatie?
Antwoord vraag 11.
In het Besluit van de Minister van VWS houdende vaststelling van een beleidskader voor subsidiëring van anonieme e-mental health (Stcrt 21 oktober 2011, nr. 18936) zijn voor de jaren 2012 en 2013 in totaal € 2 miljoen per jaar beschikbaar gesteld, waarvoor zorginstellingen een subsidieaanvraag konden indienen. Het besluit is een tijdelijke maatregel en gedurende die periode wordt onderzocht hoe en op welke wijze deze vorm van hulpverlening kan worden gecontinueerd (zie ook het antwoord op vraag 4). In het besluit is niet voorzien in een formele evaluatie van het tijdelijke beleidskader.
Hoogachtend,
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mw. drs. E.I. Schippers
View full post on FysioForum
Het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) onderschrijft het voornemen van het nieuwe kabinet om in de zorg de nadruk te leggen op samenwerking tussen zorgaanbieders, gepast gebruik en kosteneffectiviteit. De fysiotherapeut is op al deze punten een partner voor de overheid. Hij levert aantoonbaar toegevoegde waarde op kosteneffectieve wijze, opereert dichtbij de cliënt in nauwe samenwerking met andere eerstelijnsaanbieders en voorkomt bij tijdige inzet dat cliënten meer of duurdere zorg nodig hebben.
Gezamenlijk eerstelijnsconvenant
Eerstelijnsaanbieders zijn nu al vertegenwoordigd in het samenwerkingsverband VELO. Volgens het KNGF zouden maatregelen ook vastgelegd kunnen worden in een gezamenlijk convenant. De eerstelijnsaanbieders maken samen afspraken over bijvoorbeeld de rolverdeling in de eerstelijn, over het tegengaan van onnodig doorverwijzen en het leveren van (chronische) zorg zoveel mogelijk dichtbij huis. Op die manier leveren zij een nadrukkelijke bijdrage aan beheersing van de geleverde zorg en de zorgkosten.
Kosteneffectiviteit fysiotherapie
“In de huidige situatie, blijkt fysiotherapie goed aan te sluiten op de behoefte van de coalitiepartijen PvdA en VVD. Fysiotherapie levert een grote bijdrage aan de gezondheid(swinst) van patiënten. Dit blijkt ook uit een recent onderzoek naar het effect van fysiotherapie bij vijf chronische aandoeningen. Naast gezondheid(swinst), is er sprake van grote kosteneffectiviteit die het beste tot zijn recht komt als die aandoeningen in de basisverzekering opgenomen zijn ”, aldus Eke Zijlstra, bestuursvoorzitter van het KNGF. Met tijdige inzet van fysiotherapie, worden hoge kosten verderop in de keten voorkomen. Zijlstra ziet nog een groot pluspunt: “De organisatie van fysiotherapiepraktijken is kleinschalig, waardoor zorg dicht bij de patiënt vanzelfsprekend is. Al met al, levert fysiotherapie een directe bijdrage aan de doelstellingen van het nieuwe kabinet. Om die bijdrage ook in de toekomst veilig te stellen, is het van belang dat de politiek fysiotherapie drempelloos toegankelijk houdt en de fysiotherapeut meer regie geeft in de beweegzorg ”.
Restitutie
Het KNGF maakt zich wel zorgen over het voornemen om restitutie in de basisverzekering af te schaffen. “Ik zou de coalitiepartners willen oproepen deze voorgenomen maatregel niet door te voeren. Door de maatregel wordt de keuzevrijheid van de burger ernstig beperkt”, bepleit de voorzitter van het KNGF.
Bron: KNGF
View full post on FysioForum
Nederlanders zijn over het algemeen tevreden over hun huisarts. Ouderen en mensen met een goede gezondheid geven hun huisarts doorgaans een zes of hoger als rapportcijfer. Ook over de andere zorgverleners – specialisten, tandartsen en fysiotherapeuten – bestaat algemene tevredenheid. Hun gemiddeld rapportcijfer varieerde tussen de 7,5 en 7,9.
Ouderen tevreden over huisarts
In 2011 had 72 procent van de Nederlandse bevolking contact met de huisarts in de 12 maanden voorafgaand aan de gezondheidsenquête . Van deze groep gaf ruim 96 procent de huisarts een 6 of hoger als rapportcijfer. Het gemiddelde rapportcijfer voor de huisarts van zowel mannen als vrouwen was 7,7. Ouderen zijn daarbij relatief positiever in hun oordeel dan jongeren van 20 tot 30 jaar.
Tevredenheid over huisarts, naar leeftijd en geslacht patiënt, 2011
Gezonde mensen tevredener
Gezonde patiënten zijn positiever over de huisarts dan degenen die hun gezondheidstoestand als minder dan goed beoordelen. Uit die laatste groep gaf 93 procent van de mannen hun huisarts een zes of hoger als rapportcijfer, tegen 98 procent van de mannen die hun gezondheid als zeer goed beoordeelden. Het verschil bij vrouwen was iets kleiner. Mannen en vrouwen gaven de huisarts even vaak een voldoende.
Tevredenheid met huisarts naar ervaren gezondheid, 2011
Ook tevreden over specialist, tandarts en fysiotherapeut
Nederlanders zijn over het algemeen ook tevreden met andere zorgverleners zoals specialisten, tandartsen en fysiotherapeuten. Mannen zijn daarbij iets positiever over specialisten – gemiddeld een 7,9 – dan vrouwen, die op een gemiddeld rapportcijfer van 7,8 uitkomen. Ook over de tandarts en fysiotherapeut is men tevreden. Het gemiddelde rapportcijfer voor de tandarts en fysiotherapeut van zowel mannen als vrouwen bedroeg 7,9.
Gemiddeld rapportcijfer zorgverleners, 2011
Bron: Kim Knoops cbs.nl
Overige bronnen:
- Tevredenheid zorggebruik (hoofdstuk 7 in Gezondheid en zorg in cijfers, 2012)
- Gemiddeld rapportcijfer voor zorgverlener, 2011 (maatwerktabel)
- StatLine: Medische contacten, ziekenhuisopname, medicijnen; persoonskenmerken
- StatLine: Medische contacten, ziekenhuisopname, medicijnen; leeftijd, geslacht
View full post on FysioForum
Intramed neemt branchegenoot Fastguide over. Hiermee komen vernieuwende concepten voor de eerstelijnszorg voor een bredere groep paramedici beschikbaar en ontstaan nieuwe kansen om in de zorg met behoud van kwaliteit kosteneffectiever te werken.
Intramed en Fastguide gaan hun softwaresystemen integreren, waarbij voor de klant een totaaloplossing ontstaat die zowel verregaande efficiencyverbetering brengt als verdieping van de kwaliteit van de informatie. Dat laatste is in de ogen van beide bedrijven noodzakelijk om de toegevoegde waarde van paramedici in kwaliteitsverbetering en kostenbeheersing in de zorg aan te tonen. Fastguide blijft onder eigen naam werken aan de ontwikkeling van softwareconcepten voor de eerstelijnszorg. De vestiging in Bergen op Zoom blijft open en er gaan geen arbeidsplaatsen verloren.
De strategie van beide bedrijven is tweeledig. De geboden integrale softwareoplossingen zijn gericht op efficiency, waardoor therapeuten minder administratief belast worden en meer tijd aan zorg kunnen besteden. Tegelijkertijd bieden Intramed en Fastguide instrumenten om aan te tonen dat eerstelijnszorg een goedkoper en effectiever alternatief kan zijn voor de tweedelijnszorg in ziekenhuizen. In dat tweede traject is met name Fastguide actief. Het bedrijf werkt samen met universiteiten en andere kennisinstituten om nieuwe concepten te ontwikkelen. De samenwerking met Intramed biedt de mogelijkheid grotere groepen therapeuten bij deze concepten te betrekken. De uitwisselbaarheid van de softwarepakketten die nu gerealiseerd gaat worden, verlaagt de drempel.
Gerard Boschman, directeur van Intramed: “We hebben elkaar gevonden in een gezamenlijke visie voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën die de gezondheidszorg in Nederland verder moeten helpen. Wij ervaren dagelijks dat met name de groep fysiotherapeuten bedreigd wordt. De samenwerking tussen Intramed en Fastguide leidt tot softwareoplossingen die therapeuten helpen hun toegevoegde waarde aan te tonen aan verzekeraars en de maatschappij. De eerstelijnszorg kan groeien door met specialistische behandelingen een goed alternatief te bieden voor de duurdere tweedelijnszorg. Maar dan moet het effect van dergelijke alternatieven wel aangetoond en gedocumenteerd zijn. Er zijn tal van voorbeelden waarbij eerstelijnszorg een effectiever en goedkoper alternatief kan zijn dan operatie en bijbehorend verblijf in het ziekenhuis. Samen met Intramed en Fastguide kunnen paramedici de daarvoor benodigde bewijslast gaan leveren.”
Waldemar Hogerwaard van Fastguide: “De samenwerking is ingegeven vanuit de behoefte van onze klanten aan een totaalpakket. ‘Koppel jullie programma’s aan Intramed’, is de meest gehoorde opmerking en daar komen we nu aan tegemoet. De overname van Fastguide door Intramed gaat verder dan dat en zal voor de klant enorme synergievoordelen brengen. De specialistische activiteiten zullen versterkt worden, terwijl de efficiency op het gebied van registratie en afsprakenbeheer voor een grotere groep beschikbaar komt.”
Lagere zorgkosten
De verwachting is dat de gecombineerde kracht en kwaliteit van Intramed en Fastguide uiteindelijk zullen leiden tot een kosteneffectievere zorg. De kwaliteit van de zorg in Nederland is hoog, maar alleen houdbaar als er echte innovaties komen. Meer inzicht in de mogelijkheden om met eerstelijnszorg duurdere tweedelijnszorg te voorkomen, is een innovatie die op termijn vele miljoenen kan besparen. Als ontwikkelaars en leveranciers van softwaresystemen kunnen Intramed en Fastguide aan dat laatste aspect een bijdrage leveren.
Bron: Intramed
View full post on FysioForum
De Algemene Ledenvergadering (ALV) van de NVMT gaf in december 2011 aan dat de civiele effecten en de sociaaleconomische consequenties van het invoeren van de verplichte masteropleiding nader onderzocht moesten worden.
Het bestuur van de NVMT heeft deze opdracht opgepakt, nader onderzoek gedaan en zich door externen laten adviseren. In een uitgebreide brief aan de leden op 1 mei 2012 zijn de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In deze brief is eveneens een verzoek gedaan te reageren naar het bestuur met betrekking tot het genomen besluit, te weten:
Na goede weging van alle bovenstaande voor- en nadelen, is het bestuur tot het besluit gekomen de leden te adviseren dat er geen onderbouwing is om het ingezette beleid ten aanzien van de mastergraad (niveau EKK7) voor manueel therapeuten te veranderen.
Leden hebben per e-mail gereageerd naar het secretariaat van de NVMT. Het secretariaat heeft de e-mailberichten die tot en met 11 juni 2012 zijn binnengekomen, doorgestuurd naar Van Erp Mediation om zo de analyse onafhankelijk en extern te laten uitvoeren. Al deze e-mailberichten zijn door Van Erp Mediation inhoudelijk beoordeeld op ja of nee stemmen en op de aangevoerde argumenten.
Via de link kunt u de rapportage ledenpeiling ‘Talk about a close call’ lezen.
Bron: NVMT
View full post on FysioForum
Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Kuiken (PvdA) over de hoge administratievelastendruk bij fysiotherapeuten. (2012Z14445)
1 Hebt u kennisgenomen van de tv-uitzending waarin fysiotherapeuten alarm slaan over de hoge administratieve lasten waarmee zij worden geconfronteerd?
1 Ja.
3 Hebt u kennisgenomen van het manifest «Alarmfase rood, fysiotherapie in nood»?
3 Ja.
2 Herkent u zich in de stelling dat er van de tien behandelingen twee opgaan aan administratieve handelingen? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
4 Hoe beoordeelt u de stelling van fysiotherapeuten dat zorgverzekeraars veel informatie opeisen en dat de vertrouwelijkheid tussen patiënt en fysiotherapeut geweld wordt aangedaan?
2 en 4.
Zorgverzekeraars moeten vooraf helder zijn over de criteria op basis waarvan ze contracten met fysiotherapeuten afsluiten, zodat iedereen goed weet waar hij aan toe is. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke plicht om zorg in te kopen en daarbij aandacht te besteden aan de kwaliteit van de zorg die zij inkopen. Het systeem zoals we dat nu hebben, nodigt de fysiotherapeut uit om de beste kwaliteit te leveren, en de zorgverzekeraar om de beste zorg te contracteren. En dat is in het voordeel van de patiënt.
Ik vind het van groot belang dat een zorgverlener voldoende tijd kan besteden aan datgene waarvoor hij is opgeleid: het leveren van zorg. Ik begrijp dat het registreren van kwaliteitsgegevens ervaren wordt als een administratieve belasting voor fysiotherapeuten die ze graag zo laag mogelijk houden. Ook zorgverzekeraars geven aan administratieve lasten tot het noodzakelijke te willen beperken. Maar ze hebben wel gegevens nodig, niet alleen met het oog op de zorginkoop, maar ook om ingediende rekeningen te kunnen beoordelen.
In de praktijk blijkt dat een deel van de problematiek van de administratieve druk goed is op te lossen door automatisering. Veel indicatoren kunnen bijvoorbeeld direct uit elektronische patiëntendossiers van de fysiotherapeuten worden gehaald. Dit systeem bestaat echter nog niet heel lang. Ik kan me dan ook voorstellen dat het voor therapeuten nog geen gewoonte is om gegevens digitaal in te voeren in plaats van een papieren dossier te schrijven. Daardoor kan het zijn dat er nu meer tijd nodig is voor documenteren van behandelingen dan wanneer men eenmaal gewend is aan deze vorm van registreren.
Daarnaast vind ik het belangrijk dat verzekeraars en fysiotherapeuten in hun contracten afspraken maken over het zo laag mogelijk houden van de administratieve lasten.
Overigens wil ik benadrukken dat er op dit gebied al veel wordt gedaan door zowel fysiotherapeuten als verzekeraars. Een aantal voorbeelden zijn onder andere te vinden in het standpunt van het KNGF naar aanleiding van de door u genoemde uitzending van EénVandaag.
5 Hoe beoordeelt u de stelling van fysiotherapeuten dat zorgverzekeraars ongebreideld met patiëntgegevens mogen doen wat hen goeddunkt? Is het uitvragen van deze gegevens noodzakelijk voor de zorginkoop en de kwaliteit? Zo nee, welke rol ziet u voor uzelf bij het beschermen van de privacy van de patiënten?
5 Zorgverzekeraars zijn, net als iedereen in Nederland, gehouden aan wettelijke bepalingen voor privacy vanuit de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Daarop houdt het CBP toezicht.
Voor het verdere antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden op Kamervragen van de leden van Gerven en Leijten (beiden SP) over de handelwijze van zorgverzekeraar Achmea om het aanleveren van patiëntengegevens door fysiotherapeuten aan derden te verplichten (ingezonden 3 april 2012).
Bron: MinVWS
View full post on FysioForum
Kinderen en jongeren kunnen prima zelf hun mening geven over de kwaliteit van de zorg die ze krijgen. Ze vinden het belangrijk dat behandelaars aardig zijn, dat de uitleg over de behandeling duidelijk is en ze willen graag inspraak, zo blijkt uit de CQ-index voor de revalidatie.
Een op de vijf patiënten in een revalidatiecentrum is een kind of jongere. Toch zijn alle tot nu toe ontwikkelde CQI-vragenlijsten, ook de CQ-index voor de revalidatiecentra, ontwikkeld voor volwassenen. Het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) ontwikkelde nu in samenwerking met het Landelijk Steunpunt Medezeggenschap (LSR) een CQ-index Revalidatiecentra Kinderen en Jongeren, om ook de ervaringen van kinderen en jongeren met de zorg te meten.
Kinderen
Niet alleen binnen de gezondheidszorg, maar ook op andere terreinen van de samenleving wordt steeds meer onderkend dat kinderen over veel dingen hun ideeën kunnen inbrengen. Zeker bij beslissingen die grote gevolgen voor hen hebben. NIVEL-onderzoeker Herman Sixma: “De ervaringen en meningen van ouders over de gezondheidszorg worden vaak gebruikt als substituten voor die van hun kinderen. Kinderen kunnen echter prima zelf hun mening geven over de zorg die ze hebben gehad. Uit ander onderzoek weten we dat de meningen van kinderen en jongeren over hun gezondheidszorg lang niet altijd overeenkomen met die van hun ouders. Of dat ook geldt voor deze CQ-index, moet in de toekomst nog worden onderzocht.”
Aardige dokter
Kinderen en jongeren zijn zonder uitzondering positief over de revalidatiezorg. Ze geven hogere rapportcijfers dan volwassenen. En kinderen geven nog hogere cijfers dan de jongeren. Net als volwassen patiënten vinden kinderen en jongeren de bejegening door de zorgverleners het belangrijkst: behandelaars moeten aardig zijn. Soms mag het centrum er wel wat gezelliger uitzien, wat kleurrijker en zou er wat meer te doen mogen zijn in de wachtkamers, maar het contact met de behandelaars vinden ze belangrijker. Ook moet de uitleg over de behandeling duidelijk zijn en willen ze graag inspraak. De inspraak kan af en toe nog beter.
Onderzoeksopzet
De onderzoeksopzet werd met groepsgesprekken en online fora aangepast aan de leefwereld van de doelgroep. De CQ-index is ontwikkeld op basis van de ervaringen van 220 kinderen tussen 8 en 11 jaar en 271 jongeren tussen 12 en 15 jaar.
CQ-index
Met de CQ-index (Consumer Quality Index) wordt vanuit patiëntenperspectief de kwaliteit van zorg in kaart gebracht. Het is een gestandaardiseerde systematiek voor het meten van ervaringen van patiënten en consumenten met de zorg en de zorgverzekeraar. De systematiek bestaat uit een familie van vragenlijsten met bijbehorende richtlijnen voor dataverzameling, data-analyse en het rapporteren van de resultaten. De vragenlijsten geven inzicht in wat patiënten belangrijk vinden en wat hun ervaringen zijn met de zorg. CQI-resultaten kunnen worden gebruikt om de kwaliteit van zorg te evalueren en verbeteren. De informatie is bedoeld voor:
- Patiënten en consumenten bij het kiezen van een zorgverzekeraar of een zorgaanbieder;
- Cliëntenorganisaties die de belangen van hun leden behartigen;
- Verzekeraars die kwalitatief goede zorg willen inkopen en kwaliteitsafspraken willen maken met zorgaanbieders;
- Managers en professionals die de kwaliteit van hun zorg of dienstverlening willen verbeteren;
- De Inspectie (IGZ) en de Nederlandse Zorgautoriteit, die toezicht houden op de zorg;
- Het Ministerie van VWS dat op landelijk niveau de effectiviteit, veiligheid en patiëntgerichtheid van de zorg in de gaten houdt.
Link naar fulltext (PDF)
Bron: Nivel
View full post on FysioForum
Meer marktwerking in de zorg of juist minder? Moet er gesneden worden in salarissen van specialisten en wat wil politiek Den Haag met de huisartsenzorg? In de aanloop naar de verkiezingen maakte Nieuwsuur een rondgang langs de lijsttrekkers.
In de studio reageren Jos de Blok, oprichter van Buurtzorg Nederland, en Hugo Keuzenkamp, directeur van het Westfries Gasthuis.
Stijgende zorgkosten
De zorg is één van de grote thema’s van de komende verkiezingen. Volgens politici rijzen de kosten de pan uit. Minister van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) noemt deze kosten zelfs ‘een groter probleem dan de kredietcrisis’.
Bron: Nieuwsuur
View full post on FysioForum