Posts Tagged ‘zorg’
In 2012 bedroegen de uitgaven aan de gezondheids- en welzijnszorg 92,7 miljard euro. Dit is 3,7 procent meer dan in 2011. Vooral de uitgaven aan de vanuit de AWBZ gefinancierde langdurige zorg stegen sterk in 2012. In de jaren 2010 en 2011 namen de zorguitgaven met gemiddeld 3,2 procent per jaar toe. Dit blijkt uit nieuwe voorlopige cijfers van het CBS.
De uitgaven aan ouderenzorg en gehandicaptenzorg stegen fors met ruim 10 procent. Voor langdurige zorg zijn in 2012 extra financiële middelen beschikbaar gesteld. Bovendien kregen naar verhouding meer mensen een indicatie voor een zwaardere vorm van zorg. Na jaren van toename bleven de uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg in 2012 ongeveer gelijk. Het via de basisverzekering bekostigde geneeskundige deel van de geestelijke gezondheidszorg liet een daling van de uitgaven zien.
De uitgaven aan ziekenhuizen en praktijken van medisch specialisten stegen in 2012 met 5,6 procent. Deze uitgaven vormen ruim een kwart van de totale uitgaven aan zorg. De stijging komt deels doordat met ingang van 2012 een groep dure geneesmiddelen naar het ziekenhuisbudget is overgeheveld. Mede als gevolg hiervan is aan geneesmiddelen die verstrekt worden door openbare apotheken en drogisten bijna 7 procent minder uitgegeven in 2012.
Na een sterke groei in 2011 namen de uitgaven aan huisartsenzorg in 2012 af met ruim 2 procent. Dit komt vooral door een daling van de inschrijftarieven en de tarieven van bijzondere verrichtingen. De uitgaven aan de zogenaamde ketenzorg zijn hier niet bij inbegrepen.
Aan tandheelkundige zorg is in 2012 bijna 5 procent meer uitgegeven. Hier liggen vooral hogere tarieven aan ten grondslag.
De uitgaven aan kinderopvang namen af in 2012. Het gebruik van kinderopvang liep terug, zowel van het aantal kinderen in de opvang als van het aantal uren opvang per kind. De gemiddelde uurprijs van de opvang is licht gestegen.
Het aandeel van de zorguitgaven in het bruto binnenlands product (bbp) steeg van 14,8 procent in 2011 tot 15,4 procent in 2012. Per hoofd van de bevolking bedroegen de uitgaven 5 535 euro in 2012, tegen 5 355 euro in 2011.
Download rapportage in PDF
Bron: CBS
View full post on FysioForum
Negen partijen hebben onder leiding van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een breed convenant tegen zorgfraude getekend. Fraude zet de betaalbaarheid en solidariteit van de zorg onder druk en dient daarom bestreden te worden.
Naast het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW), Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD), Belastingdienst, Openbaar Ministerie (OM) en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hun handtekening gezet.
Taskforce Integriteit Zorgfraude
Het convenant regelt de oprichting van de Taskforce Integriteit Zorgsector. Doel van deze taskforce is het verbeteren van de preventie, detectie en repressie van zorgfraude. De verschillende partijen in de zorgketen geven hiermee aan de aanpak van zorgfraude te versterken door intensiever samen te werken.
Verder is afgesproken om informatie over ernstige zorgfraudes sneller en effectiever te delen. De NZa speelt hier een leidende rol in. Het resultaat is een beter beeld van de aard en omvang van zorgfraude in Nederland.
Beleidsprioriteit
Voor zowel minister Edith Schippers als staatssecretaris Martin van Rijn is de aanpak van zorgfraude een prioriteit. Fraude zet de betaalbaarheid van de zorg verder onder druk. Meer preventie en scherper toezicht op de uitvoering van de zorgverzekeringswet en de algemene wet bijzondere ziektekosten is nodig om dit probleem goed aan te kunnen pakken.
Bron: MinVWS
View full post on FysioForum
Vandaag wordt de eerste online ParkinsonAtlas gepresenteerd. Met deze atlas krijgen patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars beter zicht op de regionale verschillen in de zorg voor mensen met Parkinson.
De ParkinsonAtlas combineert algemene kenmerken (bijvoorbeeld het aantal parkinsonpatiënten per regio) en het zorgaanbod (bijvoorbeeld hoeveel therapeuten er in de regio gespecialiseerd zijn in parkinson) met het zorgresultaat (bijvoorbeeld het aantal patiënten met een botbreuk).
De ParkinsonAtlas wordt gepresenteerd tijdens het congres van ParkinsonNet in het Beatrix Theater in Utrecht. Meer dan 1400 in Parkinson gespecialiseerde zorgverleners ontmoeten elkaar daar om de zorg voor mensen met parkinson te verbeteren.
De ParkinsonAtlas (www.ParkinsonAtlas.nl) is een product van het nationaal ParkinsonNet coördinatiecentrum en IQ healthcare. Beide zijn onderdeel van het UMC St Radboud. De ParkinsonAtlas is onderdeel van de bredere GezondheidszorgAtlas die op dit moment door IQ healthcare in samenwerking met onder meer de patiëntenfederatie NPCF wordt ontwikkeld.
Bron: UMC St Radboud
View full post on FysioForum
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de schriftelijke vragen die door enkele fracties in de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 29 juni zijn gesteld. De gestelde vragen zijn naar aanleiding van mijn brief van 7 juni 2012 inzake e-health in de zorg. Door omstandigheden heeft mijn reactie langer dan gebruikelijk op zich laten wachten.
Vragen PvdA-fractie
1.
Hoe garandeert de minister dat fysiek contact en interactie binnen de zorg niet nog verder onder druk komen door de implementatie van e-health?
Antwoord vraag 1.
Fysiek contact zal altijd een belangrijke, zo niet de belangrijkste, vorm van contact zijn tussen patiënt en zorgverlener. Het contact op afstand zal dan ook niet alle fysieke contacten gaan vervangen. Daar waar het nodig is voor de kwaliteit van zorg, zal fysiek contact tussen patiënt en zorgverlener altijd blijven.
Het gebruik van ICT toepassingen geeft de mogelijkheid om nieuwe contacten te leggen of bestaande contacten te intensiveren. Het kan daarmee dus ook een middel zijn om sociaal isolement juist tegen te gaan. Overigens is e-health meer dan alleen het vervangen van fysiek contact door contact op afstand. Het gaat bijvoorbeeld ook om online dienstverlening, goede registratie en uitwisseling van informatie en het beter en gerichter informeren van patiënten.
2.
De minister stelt dat zij aandacht heeft voor de veiligheid en privacy met betrekking tot de informatie-uitwisseling en dit via nieuwe wetgeving wil vastleggen. Klopt het dat zij dit via de Wet cliëntenrechten zorg wil doen? Zo ja, is de minister zich bewust van het feit dat er een risico is dat aanvullende wet- en regelgeving pas over langere tijd beschikbaar zal zijn? Indien dit inderdaad het geval is, is de minister dan bereid om via een andere route de verbeterde bescherming van informatie versneld wettelijk te verankeren?
Antwoord vraag 2.
Ik vind de veiligheid van de gegevensuitwisseling en de privacy van de burger van groot belang. Om te zorgen dat de aanvullende regels waarvoor ik een wetsvoorstel in voorbereiding heb onafhankelijk van de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) in werking kunnen treden, bestaat het wetsvoorstel uit twee delen. Het bevat enerzijds een voorstel voor aanvullende regels in de Wcz, maar stelt diezelfde regels anderzijds ook voor als aanvulling op de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (Wbsn-z). Dit tweede deel zal in werking kunnen treden zolang de Wcz nog niet van kracht is. Overigens gelden op basis van de huidige wet- en regelgeving (Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de WGBO) al regels die een veilige uitwisseling van gegevens moeten waarborgen . Het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb dient als aanvulling op de bestaande regels. Het wetsvoorstel regelt:
De mogelijkheid voor de patiënt om elektronische inzage in en een elek- tronisch afschrift van het dossier te eisen;
De plicht van de zorgverlener om toestemming aan de patiënt te vragen voordat medische gegevens opvraagbaar worden gemaakt ten behoeve van elektronische uitwisseling (opt-in) en het vragen van toestemming voor het elektronisch opvragen van gegevens;
Het recht van de cliënt om (een) bepaalde (categorie van) hulpverleners op voorhand uit te sluiten van de gegevensuitwisseling;
Een verbod voor zorgverzekeraars om elektronische uitwisselingssystemen voor zorgaanbieders te raadplegen.
Voor het stellen van specifieke functionele, technische en organisatorische eisen aan elektronische gegevensuitwisseling heb ik een algemene maatregel van bestuur op basis van de Wbp in voorbereiding.
3.
Kan de minister op basis van het KPMG onderzoek ‘Verkenning e-health’ aangeven wat haar concrete doelstelling is met betrekking tot de opschaling van e-health in de zorg? Welke streefcijfers heeft de minister voor ogen als het gaat om de implementatie van e-health?
Antwoord vraag 3.
Het verkennende onderzoek zoals uitgevoerd door KPMG bevestigd het beeld dat er nog stappen te nemen zijn met betrekking tot het gebruik van ICT in de zorg. Voor wat betreft de dienstverlening van een zorginstelling vind ik het belangrijk dat er op termijn altijd een ‘ICT alternatief’ is voor patiënten. Hiermee bedoel ik dat een patiënt zich bijvoorbeeld online kan inschrijven bij een zorgverlener of er online een afspraak kan maken. Voor wat betreft het aandeel van ICT in het primaire zorgproces, vind ik dat de verantwoordelijkheid van de patiënt, de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar. Het is niet aan mij hiervoor streefcijfers op te stellen.
4.
Kan de minister aangeven wanneer zij verwacht deze structurele oplossing (t.a.v. financiering anonieme e-mental health) te kunnen presenteren aan de Kamer?
Antwoord vraag 4.
Voor 2012 en 2013 geldt het subsidiekader voor anonieme e-mental health. Voor de structurele oplossing (vanaf 2014) ben ik in gesprek met het CVZ om deze vorm te geven. Ik verwacht dit jaar de structurele oplossing te kunnen presenteren aan de Kamer.
5.
Onderschrijft de minister de bevindingen van KPMG t.a.v. ervaren problemen met de financiering van online consulten? Zo ja, hoe gaat de minister deze belemmering voor de implementatie van e-health door ontoereikende financiering aanpakken?
Antwoord vraag 5.
De conclusie van KPMG is, zoals u zelf ook stelt, gebaseerd op de ervaren belemmeringen bij zorgaanbieders. Het is daarom zaak zowel te kijken naar de betreffende regelgeving als ook naar de manier waarop informatie over de mogelijkheden binnen deze regelgeving beschikbaar is.
In de meeste zorgdomeinen is de bekostiging van online consulten mogelijk. Zo is er vaker niet dan wel in de prestatiebeschrijvingen opgenomen dat er sprake moet zijn van fysiek samenzijn van de patiënt en zorgprofessional. Hiermee bieden de meeste beschrijvingen ruimte voor een vervanging van het reguliere consult door een online consult. In de situaties waar dit niet zo is, bekijkt de Nederlandse Zorgautoriteit de wenselijkheid en de mogelijkheden voor het aanpassen van de regels.
Om beter inzicht te geven in de mogelijkheden voor e-health, ben ik samen met het College voor zorgverzekeringen, de Nederlandse Zorgautoriteit en ZonMw de website www.zorgvoorinnoveren.nl gestart. Op deze website is een apart dossier over e-health aangemaakt. Hierin zijn onder andere de mogelijkheden voor de bekostiging van verschillende e-health vormen voor alle zorgdomeinen terug te vinden.
Vragen CDA-fractie
6.
Hoe wil de minister stimuleren dat best practices worden gedeeld, zodat deze vorm van laagdrempelige zorg niet langer een drempel opwerpt voor sommige zorgaanbieders?
Antwoord vraag 6.
In mijn brief van 7 juni 2012 over e-health heb ik reeds aangegeven dat het primair de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en zorgverzekeraars is om het zorgaanbod vorm te geven. Daarnaast probeer ik zelf goede voorbeelden van innovatieve toepassingen van ICT te delen via het platform www.zorgvoorinnoveren.nl. Naast informatie over de mogelijkheden voor de bekostiging van e-health kunnen vernieuwers van zorg daar terecht voor informatie over nieuwe toepassingen en om in contact te komen met relevante partijen. Ook is er een online loket dat de mogelijkheid biedt om vragen te stellen aan de overheid over de regels en procedures met betrekking tot innovatie in de zorg.
7.
‘Continuïteit’ en ‘beschikbaarheid’ van ICT zullen mede de kwaliteit van de zorg bepalen. Om de kwaliteit van zorg te blijven garanderen zal het Kwaliteitsinstituut deze zaken ook moeten monitoren. Worden deze zaken meegenomen door het Kwaliteitsinstituut en hoe?
Antwoord vraag 7.
Ik zie continuïteit en beschikbaarheid van ICT als een bedrijfsmatige randvoorwaarde voor kwaliteit van de zorg. Het Kwaliteitsinstituut richt zich op professionele standaarden en meetinstrumenten en zoekt naar praktijkvariatie om te kunnen vaststellen voor welke zorgvraag professionele standaarden en meetinstrumenten prioriteit hebben. ICT en informatiestandaarden kunnen een plek hebben in professionele standaarden en meetinstrumenten. Als ICT nodig is voor goede zorg omdat het de beroepsnorm is, dan heeft de IGZ een taak bij het monitoren. Als ICT nodig is om te kunnen meten of goede zorg is geleverd dan hoort dat ook tot de beroepsnorm.
8.
Zou de minister meer informatie kunnen verstrekken over de plek van e-health en standaardisatie middels richtlijnen in het Kwaliteitsinstituut?
Antwoord vraag 8.
E-health heeft een plek in de professionele standaard als zorgvragers, zorgverleners en zorgverzekeraars het gebruik ervan state-of-the-art vinden. Standaardisatie heeft een plek in de professionele standaard voor wat betreft:
het kunnen meten van de kwaliteit van de geleverde zorg: wat wordt hoe geregistreerd zodat de gegevens uiteindelijk vergelijkbaar zijn;
het uitwisselen van gegevens in de keten die nodig is voor de zorgverle- ning aan een gezamenlijke zorgvrager.
9.
Eerder is de motie Omtzigt aangenomen waarin wordt verzocht het elektronische inzagerecht binnen de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) te regelen op zodanige wijze dat patiënten ook een afschrift kunnen ontvangen. Dus ook op papier of via een USB-stick. Wordt dit meegenomen in het huidige wetsvoorstel (m.b.t. inzagerecht patiënt) dat naar de Raad van State is verstuurd? En is de genoemde datum van 1 januari 2013 nog steeds haalbaar?
Antwoord vraag 9.
De elektronische inzage wordt meegenomen in het wetsvoorstel ter aanvulling van de Wcz en de Wbsn-z (zie ook het antwoord op vraag 2). In het wetsvoorstel krijgt de patiënt recht op elektronische inzage en een elektronisch afschrift van zijn gegevens. Het wetsvoorstel schrijft niet voor op welke wijze dat moet gebeuren, dat is aan de zorgaanbieder. Uiteraard moet de elektronische inzage op een veilige manier gebeuren en moet worden voldaan aan de wet- en regelgeving. Bij de invulling van deze regelgeving zijn de moties Kuiken nr. 69 en Omtzigt nr. 70 verwerkt. Het wetsvoorstel is door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) en de Raad van State van advies voorzien. Momenteel wordt het advies van de Raad van State verwerkt waarna het wetsvoorstel aan de Kamer wordt aangeboden.
10.
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het onderzoek (naar knelpunten rondom zorgvernieuwing) verwachten?
Antwoord vraag 10.
Het onderzoek is gedaan door mijn ministerie, het College voor zorgverzekeringen, de Nederlandse Zorgautoriteit en ZonMw en gaat over knelpunten in hun werkwijzen en onderlinge samenwerking ten aanzien van vernieuwing van zorg. Het onderzoek zal eind 2012 worden afgerond.
11.
Wanneer vindt de evaluatie van de subsidie voor anonieme e-mental health toepassingen plaats en wanneer wordt besloten tot al dan niet verlengen? Is dat in de begroting van 2014? Ontvangt de Kamer hiervoor een aparte evaluatie?
Antwoord vraag 11.
In het Besluit van de Minister van VWS houdende vaststelling van een beleidskader voor subsidiëring van anonieme e-mental health (Stcrt 21 oktober 2011, nr. 18936) zijn voor de jaren 2012 en 2013 in totaal € 2 miljoen per jaar beschikbaar gesteld, waarvoor zorginstellingen een subsidieaanvraag konden indienen. Het besluit is een tijdelijke maatregel en gedurende die periode wordt onderzocht hoe en op welke wijze deze vorm van hulpverlening kan worden gecontinueerd (zie ook het antwoord op vraag 4). In het besluit is niet voorzien in een formele evaluatie van het tijdelijke beleidskader.
Hoogachtend,
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mw. drs. E.I. Schippers
View full post on FysioForum
In Nederland krijgen elke dag meer dan honderd mensen een beroerte. In totaal zijn er naar schatting 130.000 mensen per jaar, die te maken krijgen met een vorm van niet aangeboren letsel. Het aantal mensen dat met de gevolgen van een hersenletsel leeft, is vele malen groter en dat aantal zal alleen maar toenemen.
Dit betekent dat er steeds meer behoefte aan langdurige zorg na hersenletsel is, terwijl de gezondheidszorg daar nog onvoldoende op ingericht is. Zo zijn er onder andere meer neuropsychologen nodig en meer familiegerichte zorg. Dit betekent dat er steeds meer behoefte aan langdurige zorg na hersenletsel is, terwijl de gezondheidszorg daar nog onvoldoende op ingericht is. Zo zijn er onder andere meer neuropsychologen nodig en meer familiegerichte zorg Dit stelt professor Caroline van Heugten in haar oratie Ik denk dus ik leer?
Neuropsychologische gevolgen
Naast duidelijk zichtbare lichamelijke gevolgen als een halfzijdige verlamming, heeft hersenletsel vaak ook neuropsychologische gevolgen die minder zichtbaar zijn zoals geheugenproblemen, verminderde denksnelheid, somberheid, angst, agressie of apathie en vermoeidheid. Juist van deze onzichtbare gevolgen heeft de patiënt veel last, vooral als ze na revalidatie thuis weer de draad proberen op te pakken. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat van deze patiënten 70% vermoeidheidsklachten heeft en 40% van de patiënten en zelfs 60% van hun partners na een jaar somber is.
Oefening baart kunst
Bij behandeling na hersenletsel helpt de neuropsycholoog de patiënt om oude en nieuwe vaardigheden te leren en leren ze de patiënt en diens naasten zich aan te passen aan een veranderd leven. Inmiddels zijn er een aantal bewezen effectieve behandelingen beschikbaar. Een van de succesfactoren van effectieve cognitieve trainingen zou de intensiteit van de behandeling kunnen zijn, of zoals het gezegde luidt ‘oefening baart kunst’. Hiervoor zijn meer neuropsychologen nodig, die als het aan Van Heugten ligt, een centrale rol moeten krijgen in het behandelteam. “In de toekomst zal er een accentverschuiving binnen het vakgebied plaatsvinden van diagnostiek naar behandeling.”
Mantelzorg
De omgeving speelt natuurlijk ook een belangrijke rol bij het herstel van de patiënt. Mantelzorgers kunnen zowel praktische als emotionele steun bieden, maar zoals blijkt uit onderzoek, raken veel partners in de loop van de tijd overbelast en worden somber. “In Nederland wordt het geven van mantelzorg gestimuleerd, maar het is dus belangrijk naaste familie niet alleen als de verzorgers te zien, maar ook oog te hebben voor hun eigen hulpvraag. Familiegerichte zorg lijkt op korte termijn misschien duurder, maar biedt op lange termijn betere resultaten voor alle betrokken partijen.”
Bron: azM
View full post on FysioForum
Het benutten van de mogelijkheden van internet door online zorgcommunities op te zetten, maakt de zorg persoonlijker. Dit toont gynaecoloog-in-opleiding Annemijn Aarts aan in een promotieonderzoek, uitgevoerd bij UMC St Radboud/MijnZorgnet. Ze promoveert op 12 september.
Het klinkt tegenstrijdig, dat het onpersoonlijke internet een belangrijke bijdrage kan leveren aan het persoonlijker maken van de zorg. Niet iedereen gelooft dat dat mogelijk is, maar toch blijkt het zo te kunnen werken. Bij een individuele benadering van de patiënt, waarbij zijn of haar persoonlijke situatie, vragen en emoties centraal staan, kan het internet een grote rol spelen.
Prormovenda Annemijn Aarts deed onderzoek naar het verbeteren van persoonsgerichte patiëntenzorg. Dit valt onder de brede noemer personalized medicine. Aarts noemt het gepersonaliseerde zorg. Ze deed het onderzoek bij MijnZorgnet, een dochterorganisatie van het UMC St Radboud, die aan patiënten, mantelzorgers, zorgverleners en zorginstellingen open en besloten digitale ontmoetingsplaatsen aanbiedt.
Aarts richtte zich vooral op vruchtbaarheidsproblematiek en werkte mee aan meetinstrumenten waarmee zorgverleners kunnen bepalen hoe persoonsgericht de zorg is, die ze aan mensen met vruchtbaarheidsproblemen leveren. Verder heeft ze enkele fertiliteitsklinieken in het land geholpen bij het opstarten van een besloten online community, ook wel digitale poli genoemd. Patiënten zijn enthousiast over deze communities: ze vinden dat de zorg er toegankelijker door wordt, ze kunnen hun vragen goed kwijt en ze zijn blij met het lotgenotencontact en de emotionele steun.
Ook al zijn de patiënten positief, toch was het lastig om in de vruchtbaarheidsklinieken online communities van de grond te krijgen, merkte Aarts. ‘De fertiliteitteams hebben soms een andere perceptie van de werkelijkheid van de patiënte dan zij zelf heeft. Ze kunnen lang niet altijd goed inschatten hoe een individuele patiënt de zorg ervaart, ook al hebben ze als team nog zoveel ervaring. Pas als een team openstaat voor de mogelijke verschillen tussen hun eigen perceptie en de werkelijkheid van de patiënte, zien ze het nut van een online community in. Daar krijgen ze namelijk een goed beeld van die vragen en emoties, die voor een individuele patiënt wezenlijk zijn. Ze kunnen gericht reageren en krijgen ook weer relevante feedback. Ook de zorgverleners ervaren dit uiteindelijk als zinvol.’
Een tweede soort online community die Aarts onderzocht heeft, is de zogenoemde PZC, de ‘persoonlijke zorg community’. Dat is een persoonlijke digitale ontmoetingsplaats, die iedere Nederlander desgewenst voor zichzelf kan inrichten. Als eigenaar van een PZC bouw je als het ware je eigen online ziekenhuis op, door gericht zorgverleners en anderen die voor jouw gezondheid belangrijk zijn, uit te nodigen om lid te worden en deel te nemen aan de gesprekken die daar plaatsvinden. In de PZC kun je niet alleen chatten, maar ook je eigen gegevens opslaan en een blog bijhouden.
In een pilot toont Aarts aan dat de PZC een zeer kansrijke faciliteit is, die de kwaliteit van de zorg in meerdere opzichten ten goede komt.
Het proefschrift van Aarts is één van de studies waarop de eindevaluatie van MijnZorgnet gebaseerd zal zijn. Deze eindevaluatie verschijnt later dit jaar.
Bron: UMC St Radboud
View full post on FysioForum
Meer marktwerking in de zorg of juist minder? Moet er gesneden worden in salarissen van specialisten en wat wil politiek Den Haag met de huisartsenzorg? In de aanloop naar de verkiezingen maakte Nieuwsuur een rondgang langs de lijsttrekkers.
In de studio reageren Jos de Blok, oprichter van Buurtzorg Nederland, en Hugo Keuzenkamp, directeur van het Westfries Gasthuis.
Stijgende zorgkosten
De zorg is één van de grote thema’s van de komende verkiezingen. Volgens politici rijzen de kosten de pan uit. Minister van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) noemt deze kosten zelfs ‘een groter probleem dan de kredietcrisis’.
Bron: Nieuwsuur
View full post on FysioForum
Verzekerden die een behandeling ondergaan bij zorgaanbieders waar hun verzekeraar geen contract mee heeft, moeten goed opletten welke kosten zij zelf moeten betalen. Consumenten krijgen niet-gecontracteerde zorg niet altijd meer volledig vergoed, bijvoorbeeld in de GGZ. Dat blijkt uit de Marktscan Zorgverzekeringsmarkt van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Voor verzekeraars is het steeds belangrijker om helder te zijn hoe hoog die vergoeding precies is.
Bij het keuzemoment voor de zorgverzekering in het najaar is het zaak goed te bekijken met welke zorgaanbieders (bijvoorbeeld fysiotherapeuten) een verzekeraar een contract heeft, en wat je zelf moet bijbetalen als je kiest voor een niet-gecontracteerde aanbieder. Verzekeraars moeten dit op hun website duidelijk laten zien.
De NZa vindt de scheiding in vergoeding tussen gecontracteerde en niet-gecontracteerde aanbieders een positieve ontwikkeling. Zorgverzekeraars kopen selectief in: welke aanbieder levert goede zorg tegen een goede prijs? Die zorg vergoedt de verzekeraar volledig. Consumenten die liever bij een andere aanbieder zorg willen afnemen, moeten vaak zelf bijbetalen. Verzekeraars kopen bij ziekenhuizen bepaalde behandelingen selectief in. Als verzekeraars de vergoedingen niet zouden beperken, betalen zij alle kosten en lopen de verzekeringspremies op.
De NZa verduidelijkte dit voorjaar het toezichtskader zorgplicht op dit punt: iedere vergoeding tussen de 1% en 100% is mogelijk. Verzekeraars moeten vooraf wél duidelijk zijn hoe hoog de vergoeding is. En daar schort het soms aan, ziet de NZa. Dit jaar kwamen er bijvoorbeeld veel vragen binnen over de hoogte van vergoedingen voor mondzorg in het aanvullende pakket. De NZa controleert of de websites van verzekeraars hier helder over zijn en stuurt als nodig bij. Ook vindt de NZa het wenselijk dat verzekeraars voor het keuzemoment van de zorgverzekering duidelijk zijn over wat ze te bieden hebben: je moet weten wat je koopt.
Uit de marktscan blijkt verder dat het aantal consumenten dat van verzekeraar wisselt, weer is gestegen, 6% wisselde vorig jaar van verzekeraar. De consument heeft zich in 2012 bijna € 40 miljoen aan premiegelden bespaard door over te stappen naar een andere zorgpolis. Ook het aantal collectieve verzekeringen nam toe, met 2%. Vooral de collectiviteitskorting bij internetverzekeringen is hoog, 9%. Verzekerden hebben een steeds hoger eigen risico, en nemen minder vaak een aanvullende verzekering.
Download de marktscan
Bron: NZa
View full post on FysioForum
De integrale bekostiging moet voortgaan. Wel moeten zorgverzekeraars en overheid scherpere voorwaarden stellen aan de organisatie en prestaties van zorggroepen en moeten patiënten veel meer bij de vormgeving van de zorgverlening worden betrokken. Integrale bekostiging van zorg voor patiënten met een specifieke chronische ziekte is geen gewenst eindstation maar een tussenstap naar een ander type bekostiging die meer op populatie is gericht, volgens de Evaluatiecommissie Integrale Bekostiging die vandaag haar eindrapport aanbiedt aan minister Schippers van VWS.
Vanaf 2010 wordt de zorg aan patiënten met de chronische aandoeningen diabetes en COPD, en aan mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten ‘integraal bekostigd’. Dat betekent dat één organisatie verantwoordelijk is voor alle zorg voor de betreffende aandoening, waar voorheen huisartsen, diëtistes en fysiotherapeuten ieder verantwoordelijk waren voor hun eigen deel van de zorg, maar niemand voor het totaal. Die organisaties, zorggroepen genoemd, zijn meestal regionaal georganiseerde groepen van huisartsen, die andere zorgverleners ‘subcontracteren’. De zorggroepen zijn belast met de coördinatie van de zorg en regelen de betaling aan de verschillende zorgverleners. De nieuwe werkwijze moet leiden tot goedkopere zorg van betere kwaliteit.
Evaluatie
Het nieuwe systeem is nog niet overal ingevoerd. Er is een overgangsperiode ingesteld waarin de zorg ook op de oude manier kan worden bekostigd. De minister van VWS heeft de Evaluatiecommissie Integrale Bekostiging ingesteld om de invoering te volgen en te adviseren over het al dan niet beëindigen van deze overgangsperiode. Door de integrale bekostiging blijkt inmiddels een vrijwel landelijk dekkend netwerk van zorggroepen te zijn ontstaan, waarbinnen huisartsen multidisciplinair samenwerken met onder meer praktijkondersteuners, diëtistes, fysiotherapeuten, podotherapeuten, internisten en oogartsen, met positieve effecten op de kwaliteit van zorg. Bovendien is een waarneembaar deel van de zorg voor diabetespatiënten verschoven van het ziekenhuis naar de eerste lijn.
Kosten
De zorgkosten van diabetespatiënten waren in de opstartfase hoger. Dat komt door de investeringen in de eerste lijn om de verschuiving op gang te brengen en doordat de kosten in de tweede lijn, ondanks dat er minder patiënten worden behandeld, niet zijn gedaald. De commissie constateert verder aanzienlijke verschillen tussen zorggroepen zowel in kosten als geleverde prestaties. Tenslotte, treden te verwachten kostenbesparingen door minder complicaties pas op langere termijn op.
Adviezen
De commissie vindt het nog te vroeg om de overgangsregeling te laten vervallen. Er moet strakker worden gestuurd door verzekeraars en overheid op de prestatie en organisatie van zorggroepen. Ook moeten verzekeraars actiever sturen op de kosten in de tweede lijn om de winst te ‘verzilveren’ van de verschuiving van zorg naar de eerste lijn.
Patiënt
In de integrale bekostiging is een belangrijke rol voorzien voor de patiënt die gestimuleerd zou moeten worden zichzelf te ‘managen’ en waarover afspraken in een individueel zorgplan zouden worden vastgelegd. Dit komt volgens de commissie nog onvoldoende uit de verf. De commissie adviseert patiënten meer te betrekken door onder meer naar Belgisch voorbeeld patiënten die zich committeren aan het zorgplan korting op eigen bijdrage/eigen risico te geven.
Perspectief
De commissie vindt per aandoening gefinancierde zorg geen gewenste eindsituatie, omdat deze vorm van bekostiging niet geschikt is voor chronisch zieke patiënten met meerdere aandoeningen tegelijkertijd. Wat veel voorkomt. Bovendien begint de bekostiging pas als iemand patiënt ís, daarbij voorbijgaand aan de mogelijkheid de aandoening te voorkomen (preventie). De commissie ziet daarom ziektegerichte integrale bekostiging als een tussenstap naar een meer omvattende, populatiegerichte bekostiging, gebaseerd op de bijdrage die de zorg levert aan een gezondere bevolking.
Download het eindrapport in PDF
Bron: nivel
View full post on FysioForum
Van alle 700.000 ouderen van 70 jaar en ouder die jaarlijks in het ziekenhuis worden opgenomen lopen 175.000 personen het risico met onnodig functieverlies het ziekenhuis te verlaten. De Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuis Fysiotherapie (NVZF), het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en 25 ziekenhuizen hebben in antwoord hierop een fysiotherapeutische screening voor kwetsbare ouderen ontwikkeld. Deze brengt de doelgroep kwetsbare ouderen goed in kaart. Na de fysiotherapeutische screening wordt voor deze patiënten een passend behandelprogramma opgezet. Hiermee worden de risico’s voor patiënten beheerst en (onbedoelde) schade aan de patiënt verminderd. Tijdens de conferentie ‘Behoud kracht kwetsbare ouderen’ zijn de eerste resultaten gepresenteerd van de 23 ziekenhuizen die de screening al uitvoeren.
Om ervoor te zorgen dat ziekenhuisopnames niet leiden tot onnodige complicaties startte in 2008 een
veiligheidsmanagementsysteem(VMS)-programma. Onderzoek wees uit dat 10 dagen bedrust leidt tot 15 jaar fysieke achteruitgang ten gevolge van veroudering. Functieverlies kan tot gevolg hebben dat de oudere niet meer naar huis terug kan of wordt opgenomen in een verzorgings- of verpleeghuis.
Door mobilisatie tijdens de ziekenhuisopname is er drie keer minder kans op functieverlies. Het VMS-programma was voor de NVZF, het KNGF en 25 ziekenhuizen aanleiding om een fysiotherapeutische screening voor kwetsbare ouderen te ontwikkelen. Samen ontwikkelden en implementeerden zij daarom de afgelopen tien maanden een screeningsbundel. Na de screening kan voor deze patiënten, indien noodzakelijk geacht, een adequaat behandelprogramma worden opgezet. Een voordeel voor patiënten, maar daarnaast ook voor verpleegkundigen, fysiotherapeuten, ziekenhuizen en zorgverzekeraars.
Screening
Van de 25 ziekenhuizen zijn er 23 (92%) in geslaagd om zowel de VMS- en fysiotherapeutische screening in en uit te voeren. De twee overige ziekenhuizen willen dit voor de zomer realiseren.
Tijdens de meetperiode zijn de gegevens van 858 patiënten van 70 jaar en ouder geregistreerd. Van deze 858 patiënten is 85% door verpleegkundigen gescreend op een verhoogd risico op vallen en fysieke beperkingen. Van deze groep patiënten met een verhoogd risico werd 81% door een fysiotherapeut verder gescreend. 46,8% hiervan bleek een verhoogd risico op vallen en of fysieke beperkingen te hebben. Alle patiënten zijn in behandeling gekomen. Dit was uiteindelijk 25,4% van de 858 patiënten.
Innovatie
Eke Zijlstra, voorzitter KNGF: “De screening draagt in belangrijke mate bij aan de realisering van een betere zorg voor alle ouderen. Het vervolg moet dan ook zijn dat de screeningsbundel landelijk wordt ingevoerd, dat er verdere ontwikkeling is met interventies en adviezen aan medisch specialisten, verpleegkundigen en management. De resultaten zijn uitstekend en dus staat niets ziekenhuizen en daar werkzame fysiotherapeuten in de weg om aan de slag te gaan. Wij zijn trots op deze innovatie, die succesvol is ontwikkeld en geïmplementeerd.”
Bron: KNGF
View full post on FysioForum